Complotten

Op de televisie is vorige week de documentaire The Jim Garrison Tapes vertoond.

Daarin wordt, met de officier van justitie Garrison als hoofdfiguur, verklaard dat Lee Harvey Oswald onmogelijk op eigen houtje Kennedy kan hebben vermoord, en waarschijnlijk zelfs niet eens de moordenaar is. In de bioscoop draait de film van Oliver Stone, JFK, die dezelfde boodschap brengt. Aan het einde houdt Garrison, gespeeld door Kevin Costner, een requisitoir waarin hij de FBI, de CIA en praktisch de hele regering die tijdens de moord aan het bewind was, van medepichtigheid aan een complot beschuldigt. Ik zal me er voor hoeden, op zijn argumenten en die van anderen in te gaan. Aan het rapport van de Warren Commissie ontbreekt het een en ander. Dit tekort is overstelpend gecompenseerd door het collectief der onderzoekers dat zich daarna in de moord heeft verdiept. Stone's film, met politieke en juridische argumenten in de Verenigde Staten vernietigd, is er het cinematografisch bewijs van: er is al vlug geen touw meer aan vast te knopen. Na drie uur sta je murw van de verwarring weer op straat.

Ieder complot waarbij voldoende hooggeplaatsten zijn betrokken, verzelfstandigt zich op den duur - zoals dat bijvoorbeeld ook met een reputatie of een grote ramp het geval is - tot een verschijnsel waarvan men niet genoeg kan krijgen. Zo zijn op het ogenblik ook de Titanic met kapitein en ijsberg weer in onderzoek. Straks komt een Brit een nieuw boekje opendoen over Burgess en MacLean, en ik hoop dat aan het raadsel van de Marie Céleste - het mysterieuze schip dat in 1884 door de bemanning verlaten, geheel intact op volle zee werd aangetroffen - ook weer eens een boek en daarna een film zullen worden gewijd. Op de tafel in de hut van de kapitein stond een kopje met nog lauwe thee. Het is altijd veronachtzaamd, maar dit kan een belangrijke aanwijzing zijn.

Het dramatiseren van onopgeloste moordcomplotten gehoorzaamt waarschijnlijk aan bepaalde voorwaarden en wetten. De voorwaarde die aan alle andere vooraf gaat is dat er een wanverhouding moet zijn tussen de eenvoud van de moord en het openbaar belang plus de omstredenheid van het slachtoffer, zodat ieder weldenkend mens zegt: Zo simpel kàn het niet zijn. Er moet dan bij toeval worden ontdekt dat een andere hooggeplaatste zich op het ogenblik van de moord op een plaats bevond die verdacht zou kunnen zijn. Het is van belang wat voor soort naam deze hooggeplaatste draagt: bij voorkeur een Duitse. Een derde die zich graag laat aanleunen dat hij het weten kan, wordt dan de vraag gesteld die we als het startschot kunnen beschouwen: "Was het werkelijk Graf von Kahnschneider?' Het antwoord bestaat uit een bijna onmerkbaar knikje waarbij de ogen heel even moeten worden gesloten. De onderzoeker weet nu genoeg. Terug bij zijn medeonderzoekers zegt hij: "Kahnschneider was er ook bij!' Een collega vraagt: "De achterneef van Canaris?' Weer dit knikje, nu gegeven door de eerste onderzoeker. Het complot breidt zich daarna vanzelf uit.

Graf von Kahnschneider en zijn vrienden laten het niet op zich zitten en bewijzen dat hij om heel andere redenen toevallig op de plaats was vanwaar het schot onmogelijk had kunnen worden gelost. Dit bevestigt de ernstigste vermoedens: de graaf probeert zich schoon te wassen. De gangen van zijn vrienden worden nagegaan; de verdenkingen stapelen zich op en nu is het onvermijdelijk dat er een nieuwe grens wordt overschreden: die van de publiciteit. Dit betekent dat duizenden die zich tot dan toe bezig hadden gehouden met het oplossen van cryptogrammen, hun eigen theorie gaan ontwikkelen waarna de energieksten - ook nog enige tientallen - hun eigen onderzoek beginnen. De eerste eigenschap van iedere complotonderzoeker is zijn fanatisme. Slim hoeft hij niet te zijn; fanatiek moét. Hiermee is de laatste fase in de verzelfstandiging van het complot bereikt. Het is door de behandeling der concurrerende onderzoekers zo groot en ingewikkeld geworden dat, als er al van een echt complot sprake is, dit nooit meer onder de berg van later geconstrueerde complotten vandaan zal komen.

Tegenover dit doolhof van theorieën staat de praktijk van het echte complot. Hoe ingewikkelder het in werkelijkheid is, hoe waarschijnlijker dat het zal worden opgehelderd. Dat komt doordat met de groei van het aantal deelnemers de kans groter wordt dat er een of twee of meer, gedreven door welk belang dan ook, per ongeluk of expres de mond voorbij praat. Zo althans is het gegaan bij Dreyfus en Stauffenberg. Bovendien is er een grens aan de complexiteit. Bij overschrijding daarvan wordt het complot contraproduktief. De oorzaak daarvan is de volgende. Naarmate er meer mensen aan een complot deelnemen, daalt het gemiddelde IQ van het geheel terwijl de gemiddelde onbetrouwbaarheid stijgt. De meeste mensen zijn nu eenmaal te dom of hebben niet genoeg verbeeldingskracht om een belangrijk complot tot een goed einde te brengen.

Misschien heeft Jim Garrison "in wezen' gelijk, maar dan heeft hij, door de halve wereld bij zijn zaak te betrekken het niet gekregen. Daardoor heeft hij Oliver Stone alleen beroemder gemaakt en misschien ook rijk. Dat is niet het gevolg van een complot maar het resultaat van Stone's goed becijferd, simpel eigenbelang.