Bill Buford over de literaire status van non-fictie; Alle schrijvers exploiteren hun vrienden

Bill Buford, hoofdredacteur van Granta en schrijver van een reportage over voetbalsupporters, Tussen het tuig, weigert categorisch een onderscheid te maken tussen literatuur en journalistiek. En hij vindt het heel vreemd dat anderen dat wel willen. “Ik wil iemand die ergens geweest is, en die terugkomt met iets wat ik eerder nog niet wist. En het interesseert me niets of ze dat dan literatuur noemen of niet.”

Bill Buford: Tussen het tuig. Uitg. Meulenhoff, 326 blz. Prijs ƒ 34,90

Twintig jaar geleden trok de eerste Poolse buitenlandse correspondent, Ryszard Kapuscinski, door Afrika, een reis van revolutie naar staatsgreep, van de ene oorlog naar de andere. "Ik was getuige van een uniek proces van geschiedenis-in-wording,' zou hij later schrijven. Maar waar hij het meest door verrast was, was zijn eenzaamheid. "Nooit heb ik daar een schrijver gezien, nooit een dichter of een filosoof, zelfs geen socioloog. Waar waren ze? Zulke belangrijke gebeurtenissen, en geen schrijver te bekennen!' Toen hij later terugkeerde naar Europa vond hij ze: "Ze waren thuis, schreven hun kleine huiselijke verhalen, de jongen, het meisje, het gelach, de intimiteit, de echtscheiding, kortom, hetzelfde verhaal dat we al duizend jaar lang opnieuw en opnieuw lezen.'

Een decennium later, op een avond in 1978, besloten de 24-jarige Amerikaanse student Bill Buford en zijn vriend Pete de Bolla in het Engelse Cambridge een klein studentenblad nieuw leven in te blazen. Het zou een blad moeten worden van internationale reputatie, waarin het beste ter wereld op het gebied van de reportage, literaire non-fictie en fictie bijeen zou komen. Het soort plan, kortom, dat iedereen wel eens verzint op een dronken avond. Alleen: ditmaal lukte het. Granta, zoals het blad heette, is op dit moment vermoedelijk het meest toonaangevende literaire blad in de Engelssprekende wereld, met auteurs als Milan Kundera, Gabriel Garcia Márquez, Mario Vargas Llosa, Salman Rushdie, Martha Gellhorn, Günther Grass, Nadine Gordimer, Gore Vidal en Ian Buruma. “Granta is het enige kleine blad waarvoor je beroemd moet zijn om erin te mogen publiceren,” zeggen de Engelse critici, de oplage schommelt rond de 100.000, er zijn plannen voor een Italiaanse en een Japanse editie en in Nederland fungeert het tijdschrift Atlas enigszins als zusterblad van Granta. Granta, kortom, vulde met de combinatie van literatuur en journalistiek precies de leemte die Kapuscinski had gesignaleerd.

Afgezien van literaire status heeft Granta langzamerhand dan ook een zekere faam opgebouwd op het terrein van documentaires en uitvoerige onderzoeksreportages. Bill Buford was de eerste in lange tijd die schrijvers weer journalistieke reportages liet maken. Hij stuurde James Fenton naar de Filippijnen om de val van president Marcos te verslaan. Hij liet door de journalist Ian Jack een grootscheeps onderzoek uitvoeren naar het doodschieten van IRA-terroristen in Gibraltar. En van de BBC-verslagger John Simpson wist hij bijvoorbeeld een fascinerend ooggetuigenverslag te krijgen over de slachtpartij op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking.

Buford is in Engeland ondertussen zelf ook uitgegroeid tot een fenomeen. "We zijn niet geïnteresseerd in gezever, nonsens en bullshit door schrijvers, over schrijvers en voor schrijvers,' zo heeft hij zijn credo wel eens samengevat. "We zijn geïnteresseerd in literatuur die zich bezighoudt met dingen die gebeuren in de slechte wereld buiten.' De Londen Observer noemde hem "Engelands meest toonaangevende literaire uitgever' en zijn Amerikaanse recht-door-zee stijl en afkeer voor sociale en intellectuele hokjes vervult zijn Engelse vrienden met ontzetting en bewondering. Matthew Evans, een collega-uitgever: "Bill is buitengewoon, omdat hij een uitstekende smaak combineert met alle voortreffelijkheden van een hoer.'

Gezever

Het zijn, achteraf gezien, vooral deze eigenschappen geweest die een dronken studentendroom tot realiteit hebben gemaakt. Voor het eerste nummer van Granta-nieuwe-stijl schreef Buford blind een groot aantal bekende Amerikaanse auteurs aan, in de hoop van misschien twee procent ooit iets te horen. "Maar ik kreeg een heel pak manuscripten,' zou Buford later vertellen. "Achteraf gezien viel mijn lijst precies samen met een lijst van schrijvers die om een of andere reden niet in Engeland gepubliceerd werden en die daarom buitengewoon happig waren op mijn uitnodiging.' Toch was hij niet gelukkig met dat eerste nummer: "Het was alles wat we niet wilden dat het blad zou zijn. Het was op een of andere manier niet serieus. Ik merkte dat ik me in geen enkel opzicht moest laten terroriseren door een genre.'

Tijdens een bezoek aan Amsterdam benadrukte Buford dit uitgangspunt nog eens. Hij weigert categorisch een onderscheid te maken tussen literatuur en journalistiek. "Ik begon de journalistiek te ontdekken door een literair blad uit te geven, en daardoor merkte ik dat journalistiek een leemte vulde, die de literatuur niet vulde.' De doorbraak was voor hem het verhaal van James Fenton over de val van Saigon, nog altijd een van zijn grote voorbeelden. "Hier was iemand met de wereld bezig, serieus. We publiceerden Ian Jack en zijn reportage over Gibraltar. Het was een combinatie van journalistiek en literatuur, maar het was meer: het ging om een rechtstreekse confrontatie met iemand die iemand anders vermoordde. We publiceerden Isabel Hilton en haar zoektocht naar de vroegere dictator Stroessner, en voor mij was dat even bevredigend als een goede novelle.'

"Ik heb een groot geloof in feiten,' zegt Bill Buford later in een gesprek. "Maar dan feiten in al hun complexiteit. Ik geloof ook in het verhaal. Het verhaal is volgens mij in essentie een cognitieve eenheid, het is datgene wat het geheugen reconstrueert, orde brengt in het verleden, betekenissen schept en aan elkaar koppelt. Ik houd meer van verhalen dan van stemmingen, ik wil betrokken zijn vanaf het eerste woord, ik wil gemanipuleerd worden, verleid, gepest, gekieteld, ik wil iets verwachten, ik houd van gelach, tranen. Maar vooral wil ik een verhaal lezen. Ik wil dat me iets verteld wordt dat ik niet weet. Ik wil iemand die ergens geweest is, en die terugkomt met iets wat ik eerder nog niet wist. En het interesseert me niets of ze dat dan literatuur noemen of niet.'

Veel interessanter vindt hij de vraag waarom de academici en het literaire establishment er zo op gebeten zijn om non-fictie de literaire status te onthouden. De enige erkende non-fictieschrijvers zijn altijd de reisauteurs geweest, en de schrijvers die hun sporen al in de fictie verdiend hadden - bijvoorbeeld Emile Zola, Mark Twain en George Orwell. Pas sinds een jaar of tien krijgen sommige non-fictieschrijvers, met name in het Engelse taalgebied, als zodanig enige erkenning. Jan Blokker opperde tijdens zijn SLAA-lezing de theorie dat in de literaire non-fictie het lagere echelon van de literatuur het hogere echelon van de journalistiek ontmoette. Buford ziet in zo'n opvatting alleen maar het minderwaardigheidscomplex van de journalist: "Als ik Martin Amis om een verhaal vraag beloof ik hem ook niet dubbel te betalen als hij literatuur inlevert.'

Hij noemt als voorbeeld, opnieuw, Ryszard Kapuscinski die correspondent werd in een tijd dat de mensen in zijn land geen schoenen hadden, dat er gebouwen waren zonder dak, scholen zonder electriciteit. Het laatste wat iemand in die situatie kon doen was reizen. Buford: "Kapuscinsky ging in de rol van de zeeman, die thuiskwam met zeemansverhalen, iemand die ergens heenging waar niemand anders heen kon gaan. Zijn verhalen hadden - en hebben - daardoor een fantastische vitaliteit. Door de onderontwikkeldheid van het na-oorlogse Polen werd hij als het ware gedwongen in de rol van primaire, directe verhalenverteller. En dat is het wezen van de beste reisliteratuur, en de beste non-fictie.'

Voetbalsupporters

Zelf gaf Bill Buford een voorbeeld met wat hij voor ogen had in zijn boek over voetbalsupporters. Tussen het tuig is het resultaat van acht jaar observatie van voetbalvandalen. Inplaats van het fenomeen te negeren - zoals de meeste schrijvers doen - of erover te theoretiseren - zoals veel anderen - is Buford ertussen gedoken en dat leverde soms adembenemende stukken reportage op. Achteraf heeft hij het gevoel dat hij ditmaal wel heel ver is gegaan met zijn hoerige specialiteit: het exploiteren van mensen. Dat gold met name voor een van de hoofdfiguren van mijn boek, DJ, in werkelijkheid Roger genaamd. Buford: "Hij was een van de belangrijkste getuigen in mijn boek, ik hielp hem voor de rechter, ik prees hem de hemel in, maar in werkelijkheid was ik bezig mijn relatie met hem te consolideren. Ik bracht zelfs een paar dagen met hem op Rhodos door, met zijn vreemde familie, ik deed niets dan het allemaal in me opzuigen en notities maken. Ik exploiteerde ze, kortom, genadeloos.'

Nu gebeurt dat veel vaker. Veel schrijvers van fictie hebben hun familie geëxploiteerd, hun vrienden, hun vrouwen - niet in de laatste plaats omdat ze zulk prachtig materiaal vormden. De passages in The Satanic Verses over de dood van een vader heeft Salman Rushdie bijvoorbeeld allesbehalve uit de lucht geplukt, vertelt Buford, een goede vriend van Rushdie. "In wezen is het een heel intiem verslag, zeventig pagina's lang, van de dood van zijn eigen vader. Zijn zuster was daar nogal overstuur over, vooral omdat hij haar daarmee van het sterven haar eigen vader beroofde. Hij herschikte de feiten, redigeerde de geschiedenis en maakte er zijn eigen verhaal van. Hij exploiteerde de gebeurtenis, hij exploiteerde iets dat zeer persoonlijk was.'

Toch kun je zoiets volgens Buford van een romanschrijver op een of andere manier nog verwachten. Bij een non-fictieschrijver ligt dat anders. "Ze wisten dat ik een schrijver was, dat ik over Roger wilde schrijven, maar het is buiten kijf dat ik daarin veel verder ging dan zij zich ooit hebben kunnen voorstellen. Bij non-fictie is de diefstal veel explicieter.'

Bill Buford, tijdens een lezing in de SLAA-serie over literatuur en journalistiek: "Iedere schrijver redigeert dingen weg, om iets wat werkelijk van belang is uit te laten komen. Ik geloof dat het Beckett was, die zei dat literaire kritiek literatuur misvormt tot begrijpelijkheid, en hetzelfde kan gezegd worden van geschiedenis - het verleden tot begrijpelijke brokken herleid - en hetzelfde geldt ook voor verhalen: structuur brengen in chaos.'

Buford heeft de naam een "ruige' redacteur te zijn: hij heeft een krachtige hand van herschrijven en herordenen. Sommige van zijn auteurs zijn weggelopen, en moesten teruggesleept worden. Met anderen is het definitief misgegaan, ook omdat hij buitengewoon geheimzinnig kan doen over het al of niet plaatsen van een stuk, en eventuele veranderingen. Maar weer anderen noemen hem als redacteur briljant. Zelf zegt hij: "Als lezer wil ik onderhouden worden, ik wil weten dat er een verhaal is.' Hij noemt als voorbeeld het Plein van de Hemelse Vrede, van John Simpson. Simpson schreef, op verzoek van Buford, tien dagen achter elkaar en kwam terug met 150 pagina's. Maar het was geen verhaal. "Er was een pagina met een verhaal: een verschrikkelijk incident waar hij getuige van was, het lynchen van de bemanning van een brandende tank door de menigte. Na de tweede dode kwam John zelf tussenbeide, en wist de soldaat te redden. Hij meldde het als terloops, in een alinea, maar daarin zat het werkelijke verhaal van Plein van de Hemelse Vrede verborgen. Vervolgens schreef hij het in een nacht opnieuw en beschreef in twintig pagina's, heel feitelijk wat hij gezien had. Hij kon daarna drie nachten niet slapen, het was gruwelijk allemaal, maar het verhaal was fantastisch.'

Leugens

Er ontstaat een discussie met de zaal in hoeverre een non-fictie schrijver met de feiten mag schuiven om een zekere dramatische structuur in zijn verhaal te krijgen. Mag hij bijvoorbeeld iemand 's ochtends met een vliegtuig laten vertrekken, terwijl het in werkelijkheid de avond tevoren gebeurde? Buford: "Tja, de kleine leugentjes. Ik ben een groot voorstander van gewone, controleerbare feiten. Alleen, als je schrijft vindt eenzelfde proces plaats als wanneer iemand een verhaal vertelt. Het gaat over een gebeurtenis die inderdaad plaatsvond, maar het wordt een verhaal doordat de schrijver in staat is de gebeurtenissen vorm te geven, te manipuleren, kleine stukjes samen te voegen, hier en daar wat te schuiven.' Hij vertelt van redigeer-sessies met James Fenton. "Een lunch boven aan de pagina was voor de structuur van het verhaal veel beter, dan onder aan de pagina. Alleen: aan de top van de pagina, dat was niet het moment waarop die lunch in werkelijkheid plaatsvond. Zelf kies ik dan toch voor de precisie, het is op een of andere manier belangrijk, het is je verantwoordelijkheid als schrijver om trouw aan de feiten te blijven.'

Iedereen wil verhalen horen, er is altijd een publiek voor verhalen, maar wat kranten doen heeft volgens Buford daar niets mee te maken. Die zijn in zijn ogen voornamelijk bezig met het verzamelen, selecteren en ordenen van gegevens. Zestig mensen kwamen gisteren om bij een explosie in Senegal. Dat is een gegeven. Een veerboot sloeg om in de Ganges. Een gegeven. Vier mensen werden gewond bij een voetbalrel. Nog een gegeven. Nuttig vaak, maar het is heel wat anders dan een verhaal. "Een belangrijk deel van het succes van Granta is eenvoudig te danken aan het feit dat niemand van de pers deed wat wij deden. Er zijn oorlogen, mensen willen daar verhalen over horen, en ze willen die nu horen. Maar wat ze krijgen zijn op zijn hoogst zogenaamde impressionistische stukjes waarvan je na twee alinea's al weet dat je de volgende twee niet meer zult halen. Wij waren de eerste die goede schrijvers naar bepaalde plaatsen stuurden, en opeens werd het allemaal heel interessant.'

Hij geeft twee citaten als voorbeeld. Een bekende Engelse reisjournalist schrijft: "Ik zag een leeuw aan de horizon. Mijn derde, die dag. Ik velde hem op driehonderd yard afstand.'

Een gegeven.

Een citaat van George Orwell: "Toen ik de trekker overhaalde hoorde ik geen knal, en ik voelde ook geen terugslag. Op dat moment, het leek sneller te gaan dan de kogel nodig had om er te komen, kwam een mysterieuze, verschrikkelijke verandering over de olifant. Hij verroerde zich niet, viel ook niet. Maar iedere lijn van zijn lichaam was veranderd. Hij leek opeens geslagen, gekrompen, immens oud, alsof de gruwelijk inslag van de kogel hem verlamd had, zonder hem neer te slaan. Op het laatst, het duurde misschien vijf seconden, zakte hij slap ineen, zijn mond slobberde, een enorme seniliteit leek over hem te komen, alsof hij duizend jaar oud was. Ik vuurde opnieuw.'

Dat is een verhaal.