Anatoli Rybakov over de Stalin-terreur; Leugenaars zijn bruikbaar

Anatoli Rybakov: Angst. Vert. Aai Prins en Gerard Rasch. Uitg. Bert Bakker, 346 blz. Prijs ƒ 45,-

De schrijver Anatoli Rybakov, Oekraïner van geboorte, opgegroeid in Moskou en ooit bekroond met de Stalinprijs voor literatuur, moet wel bijzonder vitaal zijn en over een ongehoorde dosis werklust beschikken. In de nadagen van zijn lange, produktieve loopbaan is hij bezig met een gigantisch karwei, dat veel wegheeft van een race tegen de klok. De hoogbejaarde auteur heeft zich ten doel gesteld de stalinistische terreur vanaf het jaar 1934 tot aan de dood van de dictator in 1953 te boekstaven. Dit bewonderenswaardige maar gewaagde voornemen krijgt zijn beslag in een breed opgezette romancyclus waarvan het einde voorlopig niet in zicht is. De hele onderneming heeft, gezien de leeftijd van de auteur en gelet op de omvang van het project, iets hachelijks of, zo men wil, iets heroïsch.

Aan Kinderen van de Arbat, vijf jaar geleden een sensatie in Rusland en ook in het Westen een bestseller, en 1935 en volgende jaren, dat al veel minder stof deed opwaaien, heeft Rybakov nu een derde deel toegevoegd met de ladingdekkende titel Angst. Of hij hiermee zijn roem kan bestendigen, waag ik te betwijfelen. Het boek speelt zich af in 1937, een rampjaar in de Russische geschiedenis, het jaar waarin de repressie onder Stalin een triest hoogtepunt bereikte. Talloze vermeende "saboteurs', "provocateurs' en "vijanden van het volk' werden terechtgesteld of bij honderdduizenden tegelijk gedeporteerd naar de onmetelijke goelag archipel. Volgens berekeningen van historici, zo vermeldt Rybakov, bevonden zich begin 1937 vijf miljoen mensen in gevangenissen en kampen. Tussen januari 1937 en december 1938 werden er nog eens zeven miljoen gearresteerd, van wie er een miljoen werden geëxecuteerd en twee miljoen in de kampen omkwamen.

Je moet als schrijver wel lef hebben om van zo'n immense tragedie literatuur te maken en je moet van goeden huize komen om niet te bezwijken onder het verpletterende gewicht van het menselijk leed dat achter de getallen schuilgaat. Rybakov heeft het aangedurfd en is ternauwernood overeind gebleven. In zijn roman beeldt hij een door angst en achterdocht verstikte maatschappij uit, die in al haar geledingen wordt bevolkt door verklikkers, collaborateurs, beulen en slachtoffers. In zo'n absurde samenleving raken menselijke verhoudingen ontwricht en zijn de wanhopige pogingen van een enkeling om zich te onttrekken aan de bizarre spiraal van angst, wantrouwen en fatalisme tot mislukken gedoemd. Als er iets goed uit de verf komt in dit boek, dan is het wel dat er voor niemand, zelfs niet voor de paranoïde demon in het Kremlin, een uitweg is uit de op volle toeren geraakte mallemolen van terreur.

Evenals in de voorafgaande delen vermengt Rybakov feit en fictie op een vaardige, zij het voorspelbare manier tot een goed gecomponeerd geheel, waarin de talrijke personages en de diverse verhaallijnen keurig bijeengehouden worden. Hier verraadt zich de hand van de routinier. In zijn speurtocht naar de waarheid over de Stalin-terreur neemt Rybakov geen blad voor de mond. Hij heeft in dit opzicht ook een reputatie hoog te houden. Hij schreef in 1965 al een opmerkelijke, voor zover ik weet onvertaald gebleven, destalinisatie-roman over het tragische leven van een door de repressie getekende vrouw. En zijn voorkeur voor boeken met een uitgesproken kritische inslag blijkt onder meer uit Het zware zand (Pegasus 1981), waarin hij tegen de gangbare officiële zienswijze in het nazisme niet langer als een puur anti-bolsjevistisch maar als een onversneden anti-joods fenomeen aan de kaak stelde. Wat men verder ook van hem denken mag, voor actuele en enigszins controversiële onderwerpen heeft Rybakov beslist een fijne neus. Wie kwaad denkt ziet dit als een bewijs van 's mans opportunisme, wie minder achterdochtig is beschouwt het als een blijk van oprecht schrijverschap.

Ongehinderd

Ook in Angst schrijft Rybakov ongehinderd door eventuele censuur, wat vooral indruk maakt in de hoofdstukken waarin historische figuren ten tonele worden gevoerd. Het blijft een boeiende en beklemmende gewaarwording om Stalins doen en laten op de voet te volgen, om te lezen hoe en waarom de dictator zijn tegenstanders meent te moeten elimineren. Op zulke momenten is Rybakov op zijn best: “Een leider maakte gebruik van elk geschikt menselijk materiaal, want alleen zo kon hij zijn historische missie vervullen. Bij zijn waardering van mensen liet een leider zich slechts door één ding leiden: door hun bereidheid en vermogen zijn wil uit te voeren. Zonder aanspraak op gelijkwaardigheid en onvervangbaarheid. Voor de rest mocht een uitvoerder onfatsoenlijk, leugenachtig en immoreel zijn. En hoe onfatsoenlijker, leugenachtiger en immoreler hij was, des te makkelijker kon de leider zich later van hem ontdoen.”

Door zijn onthullende karakter is Angst een typisch produkt van de zogeheten glasnostliteratuur, een genre dat na de liberale omwenteling in de voormalige Sovjet-Unie razendsnel om zich heen heeft gegrepen en nu naar het zich laat aanzien weer even snel verdwijnt. Dit type literatuur heeft zelf zijn einde bespoedigd door de taak die het op zich had genomen - de ontmaskering van het communisme en het doorbreken van taboes - met ongekende ijver te volbrengen. Bovendien werden de schrijvers hierbij overvleugeld door de media.

In mijn recensie over de voorganger van Angst heb ik tegen Rybakovs schrijfkunst een aantal bedenkingen geuit die nauw samenhangen met de taboedoorbrekende rol die de auteur voor zijn romancyclus zag weggelegd. Heel in het kort komt mijn kritiek erop neer dat de nauwgezette beschrijving van de stalinistische werkelijkheid ten koste is gegaan van de artistieke vormgeving. Rybakovs romans zijn op de allereerste plaats voortvloeisel van een nauwkeurig omschreven doel. Om die reden ontberen ze artistieke vermetelheid en stilistisch vuurwerk. Ze doen, grof gezegd, enigszins denken aan jongensboeken of avonturenromans. De personages zijn volkomen ondergeschikt gemaakt aan de handeling en vertonen mede daardoor te weinig diepgang. Hij maakt een overdadig gebruik van de monologue intérieur en de dialoog, beide verteltechnieken waarvan de belangrijkste eigenschap is dat ze in de romanpraktijk hun dienstbaarheid al hoog en breed hebben bewezen. De intriges en de beschrijvingen doen hier en daar wat naïef en gekunsteld aan. In sommige gevallen komen ze door een overdaad aan tamelijk overbodige details zelfs potsierlijk over, een onbedoeld effect dat ik Rybakov gezien de ernst van het onderwerp nog het meest kwalijk neem.

Ook in Angst blijft de veroordeling van een verwerpelijk systeem beperkt tot feiten en gebeurtenissen. Jammer genoeg gaat het niet gepaard met een aanzet tot de restauratie van de literaire taal. En juist die is, na vijftig jaar misbruik door partij en staat, door en door gecorrumpeerd, in verval geraakt en hoognodig toe aan herstelwerkzaamheden.

Als chroniqueur van een gruwelijk en traumatiserend tijdperk vind ik Rybakov geslaagd, als stilist ontsnapt hij nergens aan de middelmaat.