UNDP wil top over "human development'; Vredesdividend inzetten om de wensen van Noord en Zuid te bekostigen

ROTTERDAM, 23 APRIL. Nu de Koude Oorlog voorbij is en steeds meer landen bereid zijn te snijden in hun militaire uitgaven, is de tijd rijp voor de wereldleiders om zich eens serieus te buigen over menselijke ontwikkeling (human development). Er zou een speciale wereldtop moeten worden belegd waar afspraken worden gemaakt over duurzame en verantwoorde ontwikkeling in zowel industrie- als ontwikkelingslanden.

Dit is een van de voorstellen die de Ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP), die zich vooral bezighoudt met ontwikkelingsprojecten in de Derde Wereld, doet in haar vandaag gepubliceerde jaarrapport.

Onder "verantwoorde menselijke ontwikkeling' verstaat de UNDP een proces waarin economisch, fiscaal, handels-, energie-, agrarisch en industrieel beleid samen bijdragen aan een zowel vanuit economisch als vanuit sociaal en ecologisch oogpunt duurzame ontwikkeling van de gehele wereld. Concrete doelstellingen zijn onder meer terugdringing van de armoede, daling van de wereldbevolking, gelijkmatiger verdeling van de inkomsten en meer oog voor milieuproblemen. Een van de belangrijkste hulpmiddelen bij dat ontwikkelingsproces is, volgens de VN-organisatie, de volledige openstelling en daardoor het eerlijker gebruik van de wereldmarkt.

Te veel plannen en doelstellingen zijn de laatste decennia verloren gegaan door tegengestelde politieke belangen tussen Noord en Zuid, Oost en West, vindt de UNDP. Belangrijkste slachtoffers waren de ontwikkelingslanden, maar ook de rijke landen ondervinden nadelige gevolgen van de armoede in de Derde Wereld: slechte afzetmarkten, achteruitgang van het milieu en illegale migratie.

Op een wereldconferentie over ontwikkeling moeten volgens de UNDP wensen van zowel Noord als Zuid aan de orde komen. De arme landen hebben recht op basisbehoeften als onderwijs, gezondheidszorg, voeding en geboortebeperkende middelen. Deze doelstelling moet omstreeks het jaar 2000 bereikt zijn. De industrielanden zullen, aldus de UNDP, tijdens een wereldtop de nadruk leggen op de bestrijding van de milieuvervuiling, de drugsproblematiek, de illegale migratie en nucleaire dreiging.

Om alle wensen te bekostigen stelt de UNDP voor dat alle landen in de wereld dit decennium 3 procent per jaar bezuinigen op hun militaire uitgaven. De VN-organisatie rekent voor dat dit tegen het jaar 2000 wereldwijd 1500 miljard dollar oplevert, het zogenoemde vredesdividend.

Ook moeten er nieuwe afspraken worden gemaakt met de landen die gebukt gaan onder een grote buitenlandse schuldenlast. Alleen op die manier kan de cyclus waarbij meer geld vloeit van de arme landen naar de rijke worden doorbroken, aldus de UNDP. De organisatie heeft berekend dat de Derde Wereld aan rente jaarlijks 50 miljard dollar betaalt aan de geïndustrialiseerde landen. De handelsbarrières die de industrielanden opwerpen kosten de ontwikkelingslanden per jaar nog eens 500 miljard dollar. Dat is bijna tien keer meer dan de Derde Wereld aan hulp ontvangt.

De UNDP roept de rijke landen dan ook op hun markten meer te openen voor arme landen, zodat deze hun bruto nationaal produkt kunnen vergroten en meer werkgelegenheid voor de eigen bevolking kunnen creëren. Dit laatste is onder meer belangrijk om de brain-drain tegen te gaan: Afrika bijvoorbeeld raakte tussen 1985 en 1990 60.000 goed opgeleide burgers (ruim 30 procent) kwijt aan de rijke landen, onder meer omdat er voor hen geen werk was in eigen land. De Westerse commotie in het kader van de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel) over vrije wereldhandel komt in een vreemd daglicht te staan met de constatering van de UNDP dat 20 van de 24 industrielanden in de wereld zich protectionistischer gedragen dan 10 jaar geleden.

De kloof tussen arm en rijk heeft inmiddels alarmerende vormen aangenomen, volgens de UNDP. De rijkste 20 procent van de wereldbevolking verdiende in 1989 150 maal meer dan de armste 20 procent. Dit is, volgens het rapport, onder meer te danken aan de curieuze wijze waarop rijke landen hulp verstrekken. Zo krijgt het zuiden van Azië, waar bijna de helft van 's werelds armen woont, 5 dollar hulp per persoon. Hulpontvangende landen in het Midden-Oosten daarentegen krijgen 55 dollar per persoon, hoewel het inkomen per hoofd van de bevolking drie maal hoger is dan in Zuid-Azië.

Maar ook op nationaal niveau is de inkomenskloof vaak groot. Brazilië staat aan top: de rijkste 20 procent in het land verdient 26 meer dan de armste 20 procent. Sommige delen van de wereld, zoals de landen ten zuiden van de Sahara, zijn er de laatste dertig jaar sterk op achteruit gegaan: de handel met die landen bedraagt nog slechts een kwart van het niveau in 1960. Nederland neemt, na Japan, de tweede plaats in op de lijst van de landen met de meest gelijkmatige inkomensverdeling en bezet de tiende plaats op de wereldranglijst van landen waar het "goed leven is'. Opmerkelijk is dat Japan van de eerste plaats op die lijst is verdrongen door Canada.

De UNDP brengt wel een nuance aan in de constatering dat de inkomenskloof tussen Noord en Zuid alleen maar groter wordt. Zo zijn de verschillen in onderwijsparticipatie, levensverwachting en kindersterfte kleiner geworden. Werd een inwoner van een ontwikkelingsland anno 1960 gemiddeld 47 jaar, nu is dat 62 (in het Noorden was dat 69 jaar, nu 76). Het verschil in technische vooruitgang is daarentegen veel groter geworden. De geïndustrialiseerde landen beschikken gemiddeld over negen maal zoveel technici en wetenschappers als de ontwikkelingslanden en hebben 18 maal zoveel telefoons en 8 maal zoveel kranten.

De UNDP onderstreept dat armoede een van de grootste bedreigingen is voor de natuurlijke omgeving van de mens. Voor veel landen is er bij gebrek aan geld geen keuze tussen economische ontwikkeling en milieubescherming. Om het milieu te sparen en ontwikkeling niet te hinderen wil de UNDP dat er internationale afspraken komen over algemeen geldende minimum-milieunormen, bijvoorbeeld wat betreft emissie van vervuilende stoffen. De organisatie waarschuwt dat deze normen niet mogen worden misbruikt als verkapte vorm van protectionisme. Zo importeren de VS geen tonijn uit Mexico, omdat Mexicaanse vissers te veel dolfijnen in hun netten krijgen tijdens de tonijnvangst. Ook komt de UNDP met het voorstel om internationale milieu- en ontwikkelingsbelasting in te voeren (onder meer 0,1 pct van het BNP en 1 dollar per verbruikt vat olie). De UNDP heeft ook al een naam bedacht voor de volgende ronde in de GATT-besprekingen over vrijere wereldhandel: de "green-round'.