Russische fysici

Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde, 58/7. 14 april 1992.

Veertiendaagse uitgave van de Nederlandse Natuurkundige Vereniging. Jaarabonnement ƒ 130,-. Redactie Postbus 75451, 1070 AL Amsterdam. 020-5738808.

Vroeger stond de wetenschap, en dan vooral de natuurkunde, in de Sovjet-Unie in hoog aanzien. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Stalin persoonlijk de salarissen van de onderzoekers verviervoudigd. Zowel ideologisch als strategisch gezien was fundamenteel onderzoek van groot belang en naar natuurkundigen werd erg opgekeken.

Sinds de perestrojka, zegt de Russische fysicus Aleksandr Fjodorovitch Andreev in een mooi interview in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde, is dat veranderd. ""De ideologie en het nut van militair overwicht op het Westen zijn verdwenen. Bovendien heeft ons volk zich volledig afgewend van de exacte vakken. Er is nu een geweldige hang naar waarzeggers, mystici en tovenaars. Logisch, want onder het communistisch regime was al zulk bijgeloof verboden. En het is ook veel gemakkelijker om in een wonder te geloven dan om de wetten van de quantummechanica te begrijpen.''

Andreev, specialist in de lage temperatuur-fysica, is directeur van het gezaghebbende Kapitza-Instituut in Moskou en vice-president van de Academie van Wetenschappen in Moskou. Tot eind maart gaf hij als Lorentz-hoogleraar in Leiden een serie gastcolleges over quantumkristallen. Als uniek kenmerk van de Russische fysica noemt hij de vrijheid van het fundamentele onderzoek, zoals die onder het communistisch systeem tot ontwikkeling is gekomen. Aangezien wetenschap als een ideologische investering werd gezien werden geen eisen gesteld aan de toepasbaarheid. Anderzijds, zo voegt hij daar meteen aan toe, werd de wetenschappelijke integriteit waar dat opportuun was, soms opgeofferd aan de ideologie - getuige de waanzinnige ideeën van de bioloog Lysenko. In elk geval is voor een Russisch fysicus het hoogste, het mooiste wat hij kan doen een alomvattende theorie ontwikkelen. Pas daarna komt het experiment en de toepassing is het minst belangrijk. ""In de Amerikaanse opvatting'', zegt Andreev, ""is het beste wat een theoreticus kan doen juist een experiment voorstellen! Europa zit daar blijkbaar ergens tussenin.''

Zijn salaris, sinds Stalin niet meer verhoogd, ligt nu stukken lager dan dat van de buschauffeur. Een Russische wetenschapper verdient, omgerekend, maar 20 dollar per maand. Gebrek aan informatie en apparatuur zijn tenminste even nijpend. De grootste wetenschappelijke bibliotheek in Moskou heeft maar 600 abonnementen - tegen Harvard 100.000. Zo ontstaat een ijzingwekkende brain-drain.""Wij hebben nog evenveel talentvolle onderzoekers als vroeger, maar al hun leraren zijn het land uit'', zegt Andreev spijtig. ""Om te promoveren moet de promovendus door tweederde van de promotiecommissie worden gesteund, maar gemiddeld verblijft de helft van onze theoretici in het buitenland en dus wordt het quorum niet gehaald!''

Vandaar zijn krachtig pleidooi voor Westerse steun aan het Russische fundamentele onderzoek, en dan niet alleen om te voorkomen dat Russische fysici weglopen en een land als Libië gaan helpen om bommen te maken. Er zou een fonds moeten komen dat Russische subsidieaanvragen beoordeelt. ""Het oude systeem waarbij geld binnen instituten geleidelijk over medewerkers wordt verdeeld is niet goed omdat daarmee middelmatig en goed onderzoek niet worden onderscheiden. Aan de andere kant kan ik me ook niet voorstellen dat de één een grote som geld krijgt en zijn naaste collega's niet, want als het verschil te groot wordt, worden mensen wolven.''

Bij terugkeer naar zijn instituut in Moskou wachten directeur Andreev enorme problemen. Volgende maand, kreeg hij onlangs te horen, kan hij zijn mensen helemaal niet meer uitbetalen. Toch blijft hij opgewekt. ""Als u op vrijdagnacht bij ons op het instituut komt kijken ziet u achter bijna alle ramen de lichten branden. Daar zitten onze jongelui, gefascineerd aan het werk. Die gedrevenheid, dat is onze kracht.''

Een begeleidend fotootje van de eminente fysicus had niet misstaan, maar aan zulke frivoliteiten waagt de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde zich niet. Soberheid is het devies. Witte pagina's A4 met daarop de tekst (die immers al ingewikkeld genoeg is) in twee kolommen, het geheel bijeengehouden met twee nietjes. Eigenlijk een erg mooi blad.

In dit aprilnummer ondermeer een groot verhaal over "Mission to Planet Earth', het wereldomvattende satellietnetwerk waarmee metingen worden verricht aan het systeem Aarde, namelijk aan atmosfeer, oceaan, ijs en vaste aarde. Zo hoopt men de onderlinge wisselwerkingen beter te leren kennen en op den duur tot betere klimaats- en natuurrampvoorspellingen te komen. Dit artikel gaat vooral in op de dynamica van de vaste aarde, die zich afspeelt op een haast onvoorstelbare tijdsschaal van honderden miljoenen jaren. Met behulp van satellieten wordt nu getracht om zwaartekrachtveld en magnetisch veld van de aarde nauwkeuriger te meten dan ooit tevoren. Dat moet nieuwe inzichten opleveren in ondermeer de beweging van aardschollen en mantel. Nauwkeurige hoogtemetingen van het oceaanoppervlak dragen bij aan het (moeizame) registreren van veranderingen van de zeespiegel en het warmtetransport door de oceanen. En uit nauwkeuriger metingen van de omwentelingstijd van de aarde valt wellicht af te leiden hoe de daglengte verandert en bepaalde veranderingen in het klimaat, zoals poolbewegingen, veranderingen in de polaire ijskap en inwendige verschuiving van de massa van de aarde tot stand komen. Maar hoe dat alles nou echt in zijn werk gaat, dat valt hier onmogelijk na te vertellen.