Publieke omroep kan in democratie van grote betekenis zijn

Een wonderlijk soort euforie is ontstaan over de recente ontwikkelingen in het Nederlandse omroepbestel. Na eindeloos touwtrekken tussen Hilversum en Den Haag, het uitspelen van zwarte pieten en het dreigen met narigheid, heeft de omroep een plan ontworpen voor een nieuwe indeling van zendgemachtigden op de drie televisiezenders.

Ze kwamen zo ver toen minister d'Ancona had beloofd een zendmachtiging voor tien jaar te zullen geven als men het eens werd. Weliswaar is men het niet ècht eens geworden, maar volgens de wet moet de tegensputterende minderheid met de meerderheid meedoen.

De omroepen slaken een zucht van verlichting en de commentatoren roepen in meerderheid hosannah. Een ochtendblad sprak van "een late maar broodnodige ontnuchtering van het publieke omroepbestel'. Kernpunt wordt gevonden dat de omroepen worden gedwongen tot vergaande samenwerking.

Het is wel zeer verwonderlijk dat omroepen die om hun verschillend, dus van elkaar verschillend karakter in het leven zijn geroepen, vrijwillig gaan samenwerken. En dan gaat het hier niet om samenwerking op technisch of administratief gebied, want dat doet Hilversum al tientallen jaren. Nee, op programmatisch terrein gaan de clubs met die verschillende identiteiten proberen veel meer samen te doen.

In plaats van te juichen zouden wij zeer bezorgd moeten zijn om die identiteit. Krijgen we soms weer de discussie onder het motto "er bestaat geen katholieke zevende van Beethoven'? Als dat niet zo is, moet toch de vraag worden beantwoord op welk gebied de omroepen verschillend zijn en zullen blijven, en op welk gebied ze dus niet zullen samenwerken. Kortom, de basis van het Nederlandse systeem is aan de orde, dat garandeert dat stromingen in het volk - of dat nu oude of nieuwe zijn - via allerlei soort programma's hun opvattingen en levenssfeer naar buiten kunnen brengen.

Dit unieke systeem van wederzijdse kennismaking kan in het opbouwen van een evenwichtige en democratische samenleving van grote betekenis zijn. En de wet heeft de toegang zo geregeld, dat stromingen die geen anker meer hebben in de samenleving ook uit de ether verdwijnen. En dat nieuwe ideeën langs dezelfde weg daar weer hun weg in kunnen vinden. Nergens ter wereld heeft een land zulke mogelijkheden voor ontwikkeling van wederzijds begrip en toenadering van de gedachtenstromingen.

Waarom is er dan toch opluchting als de dragers van dat systeem "uit vrije wil' gaan samenwerken met elkaar, terwijl juist het tegenovergestelde van hen kon worden verwacht?

Mogelijk zijn die gedifferentieerde omroepen niet in staat ook in de programmatische sfeer echt en duidelijk van elkaar te verschillen, en wel zodanig dat een kijker/ luisteraar dat ook duidelijk beleven kan. Uit de dagelijkse praktijk is dat echter niet in redelijkheid af te leiden, al zou men wel wensen dat omroepen als de VARA en de KRO, die daartoe alle reden hebben, eens wat meer hun best zouden doen hun herkomst en de levenssfeer van de groepering die ze vertegenwoordigen in de programma's tot uitdrukking te brengen - ook en misschien wel vooral in de amusementssector en de cultuur.

Men is er wel toe in staat, maar om één of andere reden komt men er niet toe. Misschien is wel de reden dat men al jaren in een soort vanzelfsprekendheid heeft gewerkt die de drang tot profilering niet activeert.

Een andere reden zou kunnen zijn dat sommige omroepen in werkelijkheid niet zo in het volk geworteld zijn als ze voorgeven. Ook dat is niet zo waarschijnlijk, omdat het ledental van de omroepverenigingen zeer hoog is en bij de meerderheid ervan nog stijgt. Maar ook omdat in het verenigingsapparaat van de meeste de betrokkenheid van de leden zo tot uiting komt, dat menige vakbond er jaloers op zou zijn.

Dat neemt niet weg dat de interesse van de programmamakers voor wat er bij de achterban leeft, niet altijd zeer groot is. Dat is ook wel te verklaren uit de haast van de dag en het heilig moeten, maar het één kan nu eenmaal niet zonder het ander in dit systeem.

Een derde reden zou kunnen zijn dat het levensgevaar dat dreigt van de kant van de commerciële omroep zo groot is dat men op elkaar kruipt, elkaars handen vasthoudt en één front vormt om te overleven. Als dat zo zou zijn, zou men wel heel erg op de korte baan werken. Weliswaar kan men een tijdje de voordelen binnehalen van bijvoorbeeld horizonale programmering. Maar na verloop van tijd zou dit soort coördinatie en samenwerking geen effect meer hebben. De commerciële zenders en de publieke zouden zoveel op elkaar gaan lijken, dat het voor het publiek al weinig meer uitmaakt. Ervaringen in het buitenland hebben dat allang geleerd.

Werkelijke concurrentie kan de publieke omroep pas leveren, als deze echt zeer verschillend is van de commerciële. Als de interviewer niet ophoudt met het stellen van vragen als het om wezenlijke dingen gaat. Als geprobeerd wordt hoop en uitzicht te bieden aan de maatschappij, die dreigt ten onder te gaan aan de eigen welvaart. En hier komen de contouren te voorschijn van een publieke omroep, zoals die idealiter functioneert.

Maar waarom dan toch deze merkwaardige samenwerkingsgedrang? Het heeft er alle schijn van dat de omroepen een laatste vertwijfelde poging doen om overeind te blijven. En de worst, die de minister voorhoudt, geeft een extra stimulans: een concessie van tien jaar. Misschien is het tij dan gekeerd. Misschien is er dan een regering, een minister van cultuur, die het volk vraagt wat over te hebben voor zo'n kostbaar goed als een dienende publieke omroep. Een overheid, die bij het verhogen van allerlei tarieven niet halt houdt bij de omroep, zoals dat al meer dan tien jaar het geval is. Misschien dat de politiek het maatschappelijke belang van een publieke omroep even hoog gaat achten als dat van het onderwijs, de bibliotheek, het vervoer en van het politieke apparaat zelf, dat immers ook door ons allemaal betaald wordt.