Plezierjacht (5)

In brieven van 18 april verdedigt J. Huber, de PR-man van de KNJV, zijn hobby de jacht tegen het redactionele W&O-artikel: "De droeve balans van de plezierjacht' met valse citaten en pure onwaarheden. Ik volg enkele van zijn punten.

In de Atlas van de Nederlandse Zoogdieren (1992) had hij kunnen lezen dat de hazenstand sterk is gedaald en in de Atlas van de Nederlandse Broedvogels dat de stand van de patrijs met 80% is afgenomen.

Dat er desondanks jaarlijks met goedkeuring van de staatssecretaris voor natuurbeheer nog 10.000 mogen worden geschoten kan niet gerechtvaardigd worden door steunfondsen van jagerszijde voor het behoud van de patrijs. Op een bedreigde diersoort jagen is in dit land mogelijk dankzij een ministerie voor natuurbeheer dat net als in Italië de naam hoort te voeren: ministerie van landbouw, jacht en visserij.

In wrange tegenstelling met Nederland zijn ganzen in aanliggend buitenlandsgebied volledig beschermd, met uitzondering van de deelstaat Nedersaksen.

Vossen roeien letterlijk alles uit, beweert Huber. Wetenschappelijk is algemeen aanvaard, dat predatoren geen diersoorten uitroeien doch zelf gereguleerd worden door hun aantal prooidieren.

Jaarlijks worden 500.000 duiven geschoten, vrijwel allemaal na de oogst als eventuele schade al heeft plaatsgevonden. Jagen boven graan kan niet omdat jager en jachthond te veel graan vertrappen bij het ophalen van (aan)geschoten duiven. Per duif worden gemiddeld minstens twee schoten gelost. Alleen al bij de duivenjacht blijven jaarlijks 30.000 kg lood en 1 miljoen plastic hagelcupjes in het veld achter. Jacht op duiven is zinloos daar duiven gereguleerd worden door wintersterfte.