Plezierjacht (2)

In het artikel "De droeve balans van de plezierjacht' in W&O d.d. 9 april van Marion de Boo wordt op slordige wijze omgesprongen met aantallen en emoties.

In de eerste plaats is het flauw om een artikel over de jacht in Nederland te beginnen met een beschrijving van het geknal op zangvogels in de mediterrane gebieden; een activiteit, waarvan de jagers in Nederland zich reeds voor en na hebben gedistantieerd.

Vervolgens de aantallen geschoten wild, naar zeggen van de schrijfster ontleend aan de Dierenbescherming. Hoogstwaarschijnlijk heeft de Dierenbescherming deze cijfers ontleend aan de Almanak voor het Jachtbedrijf 1992, een uitgave van de KNJV. Wie anders heeft er een volledig inzicht in het totale jaarafschot? Als dat zo is dan is er toch wat slordig met de cijfers omgesprongen. Afgezien van het feit dat hier en daar de aantallen niet juist zijn, moeten de afschotcijfers op z'n minst in verband gezien worden met de totale populatie van een wildsoort.

Een paar voorbeelden: Afschot: 400.000 houtduiven (KNJV 350.000) op een najaarspopulatie van 3.500.000 (¢410%), afschot 40.000 meerkoeten op een populatie van 250.000 (16%), watersnippen afschot 17.000 op een doortrekkende populatie van 2 milj. (0,85%) en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Als de begrippen "ethisch' en "beschaafd' worden gemonopoliseerd door de zichzelf "natuurbeschermer' noemende modieuze intellectuelen van "binnen de (milieu-)grachtengordel' dan kunnen jagers niet anders meer zijn dan "primitieve moordenaars' die hun "oerdriften' óf moeten beteugelen, óf hun gerechte straf daarvoor niet zullen ontgaan!

De natuur kent noch ethiek, noch beschaving, maar kent alleen z'n eigen, harde, wetten. De mens zal als predator daar z'n rol in moeten meespelen of ie wil of niet. Het heeft daarbij geen enkele zin om menselijke sentimenten of emoties te projecteren op dieren. Dieren staan ook niet te wachten op onze brekende harten. Ze zijn slechts gebaat bij een goed natuurbeheer en vooral een schone leefomgeving, want in dit laatste ligt nog altijd de grootste bedreiging.

Gelukkig is er onder de Nederlandse bevolking blijkbaar een groep van 27% die voldoende historisch besef en inzicht in de relatie tussen natuur en jacht heeft om geen moeite met de jacht te hebben en die beseft, dat oogsten van het op het jachtterrein in voldoende mate voorkomend wild, het instandhouden van een goede wildstand en het in opdracht van de landgebruiker bestrijden van wildschade een uiterst functionele bezigheid van het jachtbedrijf is waar de natuur al honderden jaren baat bij heeft.