Ondanks Amsterdams debâcle wil Groningen referendum

Het referendum over het autoverkeer in de Amsterdamse binnenstad wordt algemeen als een mislukking beschouwd. Toch wil Groningen ook proeven aan die vorm van volksraadpleging. Maar wel op een betere manier dan in de hoofdstad is gebeurd.

Is er nog leven voor een lokaal referendum na de volksraadpleging die op 25 maart in Amsterdam werd gehouden? Of heeft dat afgedaan als instrument van bestuurlijke vernieuwing, als middel om de plaatselijke politiek nieuw leven in te blazen?

Nee. Wel is nog eens gebleken dat bezinning nodig is over de voorwaarden waaronder en de manier waarop een referendum het best kan worden gebruikt. Ook in Groningen willen burgemeester en wethouders het mogelijk maken een referendum te houden, maar we zijn wel van plan dat anders en beter aan te pakken dan in Amsterdam is gebeurd. Op grond van de aanbevelingen van een adviescommissie onder voorzitterschap van de Groningse hoogleraar staatsrecht, mr. J.J. Vis, die ook Eerste Kamerlid voor D66 is, stellen de burgemeester en de wethouders van Groningen voor een referendum te houden direct voorafgaande aan de uiteindelijke besluitvorming in de gemeenteraad. Onderwerp van het referendum is een voorgenomen besluit van de gemeenteraad. Dat dwingt de lokale politici om vooraf kleur te bekennen en de discussie met elkaar en met de bevolking aan te gaan.

De Groningse opzet is principieel anders dan die in Amsterdam. In Groningen zal pas een referendum worden gehouden als er een concrete politieke "ja/ nee vraag' aan de orde is, waar al een uitvoerige discussie over is geweest. Amsterdam heeft voor de verkeerde volgorde gekozen: eerst besluiten dat er een referendum moest komen en dan pas het onderwerp en de keuze vaststellen. De niet voor iedereen duidelijke vraagstelling heeft de zaak vervolgens geen goed gedaan. Datzelfde geldt voor de verwarring die ontstond toen VVD-wethouder De Grave plan-B onuitvoerbaar verklaarde. Een merkwaardige manoeuvre, want als collegelid was De Grave zelf medeverantwoordelijk voor de organisatie van het referendum.

Burgemeester en wethouders van Groningen zien het houden van een referendum niet als een doel op zich. Een referendum betekent voor ons niet meer en niet minder dan een extra mogelijkheid om inwoners van de stad te laten meebeslissen over belangrijke maatschappelijke problemen. Ik weet dat sommigen vinden dat het referendum als instrument van de directe democratie de positie van de vertegenwoordigende democratie bedreigt. Ik ben daar niet zo bang voor. Als een referendum wordt gekoppeld aan een voorgenomen besluit van de gemeenteraad, kan het een verfijning en een versterking betekenen van de vertegenwoordigende democratie zoals die in Nederland bestaat.

Het versterken van de vertegenwoordigende democratie en van de band tussen kiezers en gekozenen zijn de centrale doelen van een plan van aanpak voor bestuurlijke vernieuwing, dat wij de afgelopen winter hebben gepresenteerd. Dat plan stelt een samenhangende aanpak voor om het vertrouwen in de lokale politiek te vergroten.

Van die maatregelen spreekt het houden van een referendum ongetwijfeld het meest tot de verbeelding. Zelf vind ik het net zo belangrijk dat de communicatie tussen het gemeentebestuur en de bevolking verbetert. Er valt veel te winnen met het schrijven van betere nota's, het zorgvuldig omgaan met inspraakprocedures en met klachten en met extra aandacht voor bijvoorbeeld de correspondentie tussen de diverse gemeentelijke diensten en de inwoners van de stad.

Het Groningse college wil doorgaan met planprocedures waarbij de bevolking voorafgaande aan belangrijke beslissingen zijn mening kan geven. Daarmee hebben we recent de nodige ervaring opgedaan. Via een enquête hebben inwoners van de stad kunnen kiezen uit vier plannen voor de herinrichting van het Waagstraatgebied bij de Grote Markt. Deze aanpak heeft het lokale politieke debat onmiskenbaar nieuw leven ingeblazen, en de partijen in de raad sterk beïnvloed bij hun keuze. Gisteravond koos de raad unaniem voor het plan van de Italiaanse architect Natalini, dat met 83 procent als grote winnaar uit de enquête was gekomen.

Mijn stelling is dat bestuurlijke vernieuwing alleen kan slagen als de bestaande politieke en bestuurlijke instrumenten niet worden vergeten. En als nieuwe instrumenten, zoals in ons geval ook panelonderzoeken en "stadsgesprekken' op de lokale televisie, op een samenhangende wijze worden ingezet, na een zorgvuldige analyse. Het is de vraag of dat in Amsterdam voldoende is gebeurd.

Zowel in Amsterdam als in Groningen gaat het om het verkleinen van de kloof tussen kiezers en gekozenen en het vergroten van de betrokkenheid van inwoners bij de lokale politiek. De lage opkomst van het Amsterdamse referendum toont eens te meer de noodzaak van dat streven aan.

Daarbij moeten we van de resultaten op korte termijn geen overspannen verwachtingen hebben. Bestuurlijke vernieuwing is een zaak van lange adem. Politici zullen voortdurend de vinger aan de pols van de maatschappij moeten houden, om te zien hoe hun activiteiten worden gewaardeerd.

In Groningen beginnen onderzoekers van de Rijksuniversiteit daarom aan een enkele jaren vergend onderzoek, dat moet uitwijzen in hoeverre de betrokkenheid van de bevolking bij de lokale politiek toe- of afneemt. Dat onderzoek kan tezamen met de resultaten van verkiezingen en de ervaringen met nieuwe instrumenten als het referendum, het politieke systeem in Amsterdam, in Groningen, en in de rest van Nederland de informatie leveren die nodig is om te blijven voldoen aan de maatschappelijke eisen van nu en straks.