Met Molenaar de markt op

In Museum Fodor in Amsterdam is van 25 april tot en met 10 mei de expositie "Frans Molenaar, 25 jaar couture' te zien. Een ideetje van de jubilaris zelf. Molenaar promoot zichzelf als couturier ter ondersteuning van zijn confectiecollecties. De ontwerper wiens kleren al enkele jaren in Japan te koop zijn, wil nu de Europese markt veroveren.

Tentoonstelling "Frans Molenaar, 25 jaar couture'. 25 april t/m 10 mei. Museum Fodor, Keizersgracht 609, Amsterdam. Inl 020-6249919.

Als de onderhandelingen succes hebben, tekent Frans Molenaar volgende maand een contract met een Amsterdamse dameskledingfabrikant. Op dat moment start fase drie van het plan om van de Nederlandse couturier een modeontwerper op Europees niveau te maken.

Molenaar is 52 jaar en viert zaterdag zijn 25-jarig jubileum als couturier. Op een leeftijd waarop andere mannen aan de afbouw van de carrière gaan denken, hoopt Molenaar eindelijk de droom van roem en het grote geld te realiseren. In een paar jaar tijd moet zijn naam in Europa net zo bekend worden als die van Karl Lagerfeld, Gianni Versace of Yves Saint Laurent.

De man achter het plan-Molenaar is Theo van Loon, directeur van herenkledingfabriek Van Kollem in Waalwijk, een bedrijf dat al veertien jaar mannenkleding onder de naam Frans Molenaar produceert. Van Loon is licentiehouder van Molenaar, twee jaar geleden besloot hij te stoppen met zijn eigen merk "Cox & Lennon' en zich volledig in te zetten voor het merk Frans Molenaar.

Eerste stap was om Molenaars herenkleding op een hoger niveau te brengen. De pasvorm werd verbeterd en er worden alleen nog maar eersteklas stoffen verwerkt. De produktie vindt plaats in Joegoslavië,waar ook de pakken van Hugo Boss, René Lezard, en Yves Saint Laurent gemaakt worden. Door de geringe overheadkosten zijn de prijzen relatief laag. Resultaat: de mannenkleding van Frans Molenaar is nu in de Benelux in 400 winkels te koop; het merk is derde in naamsbekendheid na Hugo Boss en Van Gils, en de omzet is in een jaar tijd gestegen naar dertig miljoen gulden.

Een half jaar geleden volgde de tweede stap: de introductie van een aftershave onder de naam ON 13, genoemd naar Molenaars woonadres Oranje Nassaulaan 13. Het luchtje is nu nog alleen in Nederland te koop, maar wordt volgend jaar geëxporteerd naar die landen waar ook de mannenkleren van Molenaar te koop zijn. Als dan ook de vrouwenkleding en een vrouwenluchtje op de markt zijn verschenen, gaat een internationale reclamecampagne voor alle Molenaar-produkten van start. Om het hoogwaardige karakter van die produkten te benadrukken, staat Molenaars werk als couturier centraal in de campagne. De slogan zal zijn: Frans Molenaar - First Class Only. Om waar te maken wat Van Loon voor ogen staat, zal Molenaar spraakmakender couture-collecties moeten ontwerpen. “Hij moet meer een trendsetter worden,” aldus Van Loon. “Hij hoeft niet van zijn eigen stijl af te stappen, maar moet wel een gedifferentieerder beeld laten zien en actuelere materialen gebruiken. Als bij voorbeeld zijde in de mode is, moet hij veel zijde tonen. Ik wil ook dat hij meer shows gaat geven in grotere gelegenheden, op den duur ook in het buitenland.” Van Loon wil de confectiekleding van Molenaar volgend jaar introduceren in Oostenrijk, Zwitserland en de Scandinavische landen en daarna in de rest van Europa. Molenaar zelf moet zich, behalve met de collecties, vooral bezighouden met de public relations. Hij moet zo vaak mogelijk op de televisie komen en zoveel mogelijk in kranten en tijdschriften verschijnen. Voorwaarde is dat de publiciteit positief is. Geen roddels meer over collega-couturiers en geen interviews, zoals vorig jaar september in het Parool, waarin hij couture-klanten typeerde als "dames-onbenul' die niets anders doen dan winkelen en af en toe een glazenwasser pakken. Van Loon: “Na dat verhaal in Het Parool heb ik gezegd: nog een keer zoiets en het is afgelopen. Dan stoppen we ermee.” Frans Molenaar is niet de enige ontwerper van luxueuze kleding die met goedkopere confectiecollecties de Europese markt wil veroveren. De belangstelling voor dure couture- en designerkleding is het laatste jaar dramatisch gedaald als gevolg van de Golfoorlog, de recessie en een veranderend consumptiegedrag. Vooral de Italiaanse en Franse ontwerpers merken de gevolgen daarvan. Zij zijn een groot deel van hun klanten in Amerika, Japan en de Golfstaten kwijtgeraakt. Met goedkopere tweede en derde "lijnen' richten ze zich nu op de Europese markt. Datzelfde doen Engelse designers, die tot nu toe vooral naar Amerika en Japan exporteerden. De Europese Gemeenschap die met 340 miljoen mensen een bijna even grote markt is als Amerika en Japan samen, wordt overstroomd met nieuwe kledingmerken. Welke strategie biedt een ontwerper de meeste kans op succes in die overvolle markt?

Vijf gerenommeerde textielvakbladen uit Frankrijk, Duitsland, Italië, Engeland en Oostenrijk hebben daar samen onderzoek naar gedaan. Hun conclusie: Franse en Italiaanse ontwerpers hebben door hun internationale handelservaring en de aantrekkingskracht van hun namen een grote voorsprong. Maar zij zullen met duidelijke concepten en lagere prijzen moeten komen en ze moeten op tijd leveren willen ze hun positie in Europa versterken. Ontwerpers in noordelijke landen hebben niet de naam en status van de couturiers en ontwerpers in Frankrijk en Italië. Uit de vele mislukte pogingen blijkt dat het heel moeilijk voor hen is om op eigen kracht een merk van de grond te krijgen. Alleen wie klein wil blijven maakt een kans op overleven. De beste kans op slagen biedt samenwerking met een fabrikant die een sterke positie in de markt heeft. Maar dan moeten ontwerpers wel bereid zijn tot "commercieel realisme', zo blijkt uit het deze maand gepubliceerde onderzoek van de Europese vakbladen.