KNMI en KMI vinden ozongehalte wel normaal, RIVM niet

Vorige week publiceerden de Europese ozononderzoekers, verenigd in de EASOE, de uitkomsten van hun metingen over de periode half november tot eind maart.

Het diepe ozongat dat de NASA in februari voorspelde was er niet gekomen maar in december en januari was toch boven de meeste Europese stations minder ozon gemeten dan tevoren. Boven Ukkel in België werd in januari 18 procent minder ozon gevonden dan gemiddeld sinds het begin van de Ukkelse metingen.

Het RIVM in Bilthoven, vertegenwoordiger van de EASOE in Nederland, liet het EASOE-persbericht vergezeld gaan van enige eigen notities en een grafiek waarin ozonwaarnemingen voor Nederland voor de maanden november-februari door de TOMS-sprectrometer in de Nimbus-7 satelliet werden vergeleken met het gemiddelde van grondwaarnemingen in Ukkel voor dezelfde maanden over de periode 1972-1986. In januari was boven Nederland 24 procent minder ozon waargenomen dan gemiddeld, schreef het RIVM. ""Met name die waarde valt buiten de normale variatie in ozonlaagdikte.''

Het initiatief van het RIVM is bij het KNMI in De Bilt en het KMI in Ukkel niet goed gevallen. Het RIVM zou onvergelijkbare metingen hebben vergeleken. De meteorologen dr. H. Kelder en dr. D. de Muer wijzen er in een brief aan deze krant op dat o-grondmetingen systematisch 3 procent hoger uitvallen dan de TOMS-satellietmetingen (pas sinds kort worden de grondmetingen daarvoor gecorrigeerd) en dat nu net in de (ontbrekende) laatste meetperiode (na 1986) de lucht boven België dankzij milieumaatregelen minder zwaveldioxyde (SO2) bevatte dan voorheen. Ook daardoor zou het verschil tussen TOMS- en grondmetingen 3 procent overschat zijn want SO2 stoort de ozon-metingen. Samen 6 procent. Boven Nederland zou niet 24 procent maar slechts 18 procent minder ozon zijn waargenomen dan gewoonlijk. Net zoals in Ukkel.

De meteorologen vinden de waarschijnlijkste verklaring voor de dunne ozonlaag van de afgelopen winter in de abnormale luchtdrukverdeling boven -Europa waardoor veel ozonarme lucht uit de tropen werd aangevoerd en de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo. De lage waarden zijn een incident, denken ze.

Van Paul Crutzen, ozon-coryfee van het eerste uur, vernamen ze dat Crutzen zich afvraagt of er deze winter überhaupt iets structureel mis was met de ozonlaag boven het noordelijk halfrond. En De Muer in Ukkel wijst erop dat in de TOMS-waarnemingen, die pas sinds 1980 lopen, weliswaar een lichte ongunstige trend zichtbaar is maar dat zijn eigen metingen in Ukkel, die al sinds 1971 lopen, geen enkele trend laten zien. ""Dat is inderdaad tamelijk geruststellend.''

Dr. R.M. van Aalst van het RIVM deelt mee dat hij bij het vergelijken van de ozonmetingen wel degelijk rekening heeft gehouden met het systematische verschil tussen TOMS- en grondmetingen. Hij schatte dat op 12 Dobson-eenheden (inderdaad 3 procent). Aan het SO2-effect is niet gedacht, geeft hij toe. ""Maar over drie procent gaan we toch niet scherpslijpen''. Van Aalst blijft erbij dat in januari boven de Benelux statistisch significant minder ozon is gevonden dan in andere jaren. Ook hij had contact met een ozon-coryfee: Joe Farman, ontdekker van het gat boven de zuidpool, en die vond het verschil belangrijk genoeg voor nadere aandacht.