Kaas?

We hebben dus een man die bij de kaasboer staat. Hij wil een stuk overjarige kaas. Als gevolg van een ziekte valt hij ten prooi aan een plotselinge sufheid. Hij ziet geen kans zijn boodschap onder woorden te brengen.

Hoe moet je je dat voorstellen?

Hij is niet vergeten wat hij wil. Als hij het vergeten was, zou hij naar huis gaan, zich voor zijn hoofd slaan en zeggen: “Verdorie, nou heb ik geen kaas meegebracht!” Lastig misschien, maar niet per se tragisch.

Maar nee, hij weet wat hij wil, hij weet het precies: een stuk overjarige kaas. Het zit duidelijk in zijn hoofd, alleen zonder de bijbehorende woorden. Of misschien zitten die woorden er ook wel, maar dan niet in een bruikbare vorm. Hij wordt bedrogen in de essentie van de taal, hij staat alleen.

Zoiets kan je achter je schrijfmachine ook gebeuren. Je kunt niet op het goede woord komen. Je weet dat het bestaat, je hebt er zojuist nog een glimp van opgevangen. Net voordat je je het kon toeëigenen, glipte het weg. Kom, wat was het nou toch? Je gaat op je gemak naar buiten zitten kijken tot het te voorschijn komt, of een woord dat ongeveer even goed is, of zelfs beter, je kunt ook geluk hebben. Zoiets, maar dan bij de kaasboer en op een uiterst brute, kwaadaardige manier.

Ik hou van de taal. Voor mij is ze een meisje van achttien. Ik begrijp niet hoe ze zo gemeen kan zijn.