ICA toont kunst met groeiend sociaal bewustzijn

Tentoonstelling: Geneviève Cadieux, Lee Jaffe, Andres Serrano. T/m 24 mei in het ICA, Nieuwe Spiegelstraat 16, Amsterdam. Open di-zo 11-17u; do 11-21u; ma gesl.

De foto van een crucifix in goudgele vloeistof is op zichzelf niet provocerend. De titel wél: Piss Christ. Deze foto van Andres Serrano die drie jaar geleden in de Verenigde Staten een schandaal veroorzaakte, is met ander werk van hem, van Geneviève Cadieux en van Lee Jaffe te zien in het Institute of Contemporary Art (ICA) in Amsterdam.

“De journalist Pat Buchanan was een van de eersten die mijn werk bekritiseerden,” aldus Serrano die bij de opening van de tentoonstelling in Amsterdam aanwezig was. “Hij schreef een zeer vijandige, verbitterde column.” De bekende rechtse senator Jesse Helms noemde de foto blasfemisch en opende de aanval op de National Endowment for the Arts (NEA), die tentoonstelling van zowel Serrano als Robert Mapplethorpe had gesubsidieerd.

Een amendement dat de NEA verbood om obsceen geachte kunstwerken te subsidiëren, haalde in de Senaat geen meerderheid. “Maar wie had ooit kunnen denken dat Buchanan zich kandidaat zou stellen voor het presidentschap,” zegt Serrano, “en dat hij door televisie-spots Bush zo in het nauw zou weten te brengen dat hij de voorzitter van de NEA, John Frohnmayer, onlangs heeft ontslagen?”

Anders dan zijn werk doet vermoeden heeft Serrano zelf niets provocerends. Integendeel, hij maakt een uiterst vriendelijke, genuanceerde indruk. Hij werd in 1950 in New York geboren uit een Afrikaans-Cubaanse moeder en een Spaanse vader. Door zijn katholieke opvoeding voelt hij zich, hoewel hij niet meer katholiek is, nog steeds aangetrokken tot kerkelijke symbolen. Zijn grote cibachrome afdrukken roepen bij de toeschouwer tegenstrijdige gevoelens op. De sensuele vormen en kleuren zijn zeer verleidelijk, maar de bodily fluids, lichaamssappen - bloed, melk, urine, sperma - die volgens het titelkaartje daarvoor zijn gebruikt, maken het ook afstotend.

Piss Christ is niet alleen een provocatie: de boodschap is complexer. Serrano wil met zijn beelden vragen oproepen zoals "Wie bepaalt wat heiligschennis is?' De advertentie-campagne van de Italiaanse kledingfabrikant Bennetton vindt hij bij voorbeeld fantastisch. “Die opereert op de grens van wat sociaal nog acceptabel is. Het brengt ons in verwarring en dat is misschien wel goed.”

De golf van haat en dreigementen die hij tijdens de controverse te verwerken kreeg, weerhield Serrano er niet van om (als een ware christen) contact te zoeken met zijn ergste vijanden: de Ku Klux Klan. Als niet-blanke ontdekte hij dat de Klan vol tegenstellingen zit. “Klanleden noemen zwarte mensen niggers en haten joden en homo's omdat ze zichzelf inferieur voelen ten opzichte van anderen. De meesten hebben weinig opleiding en leven in armoedige omstandigheden. Ze hebben geleerd om zo te praten en deden dat ook in mijn bijzijn,” zegt Serrano. “Toch waren ze tegen mij heel beleefd. Ik herinner me de individuen voor ze hun kappen opzetten.”

Bij het bekijken van de Klansmen valt op dat dit symbool van terreur bij Serrano soms wordt teruggebracht tot een herkenbaar, huiselijk niveau: de groene kap van de hoogste leider, de Imperial Wizard blijkt van dichtbij wel heel knullig in elkaar gestikt.

Behalve deze serie van de Ku Klux Klan maakte Serrano in 1990 ook een reeks portretten van Newyorkse daklozen. De sepiakleurige foto's van Edward Curtis die omstreeks 1900 Native Americans in vol ornaat portretteerde, waren een bron van inspiratie, vertelt Serrano. Hij zocht de nomads 's nachts op en betaalde ze om te poseren. Omdat hij ze niet in hun eigen vervuilde omgeving wilde fotograferen had hij een soort draagbare studio bij zich. Geïsoleerd tegen een neutrale achtergrond krijgen de zwervers een bijzondere waardigheid.

Serrano beschouwt zichzelf niet als een politieke kunstenaar, maar constateert wel dat hij als niet-blanke Amerikaan automatisch sociaal betrokken is. “Vanuit mijn standpunt was de kunst van de jaren tachtig elitair, blank en mannelijk. Het was vooral kunst over kunst. Daar komt nu dankzij kunstenaars als David Hammons en groepen als Grand Fury en Act Up die zich richten op de strijd tegen AIDS, enige verandering in. Ook al opereer ik in de kunstwereld, toch wil ik dat mijn werk toegankelijk is voor mensen daarbuiten.”

Een van de andere exposanten in de ICA, Geneviève Cadieux (Montreal 1955), werkt ook met fotografie. Zij onderzoekt in sterk vergrote close-ups - portretten van haar vader, moeder en zusje - het gebied dat het individu scheidt van zijn omgeving: de huid. De foto's zijn opgesteld in enorme lichtboxen met aan de ene kant het gezicht en aan de andere een foto van een detail - hand, haar - van die figuur.

Het werk van Cadieux is echter veel minder verrassend en intrigerend dan het multi-media geweld van Lee Jaffe (New York 1950). Ook in zijn werk gaat het om de relatie tussen het Zelf en de Anderen. Jaffe voelt zich sterk aangetrokken tot andere culturen. Hij tracht die andere (muziek)culturen in zijn werk te integreren. Zo woonde hij van 1972 tot 1976 bij Bob Marley op Jamaica. In die tijd nam hij het Rastafari-geloof aan en speelde mondharmonica bij Bob Marley and the Wailers.

Op de bovenverdieping van het ICA heeft Jaffe een complete boksring geïnstalleerd waarbij gejoel klinkt van het publiek. Rondom de ring hangen vijftien platen van handgeschept papier gevat in loden lijsten van 2,75 x 2 meter. Elke plaat is gewijd aan een zwarte bokser. Rondom een koperen plaatje met een afbeelding van die bokser in actie is het papier helemaal beschreven in een minuscuul handschrift. De kloof tussen dit introverte, persoonlijke schrift en het lawaai van de bokswedstrijd lijkt voorlopig onoverbrugbaar.

In het tentoonstellingsprogramma van de ICA dat in september vorig jaar zijn deuren opende, beginnen zich bepaalde lijnen af te tekenen. Directeur Eduardo Lipschutz-Villa ziet, net als Serrano, bij jonge kunstenaars een groeiend sociaal bewustzijn. De eerdere expositie van de Amerikaanse kunstenares Kiki Smith en de huidige van Cadieux, Jaffe en Serrano zijn hiervan voorbeelden. Daarnaast wil Lipschutz-Villa de kennismaking met bekende kunstenaars hernieuwen, zoals bleek uit de exposities van Tuttle en Zorio.

De tentoonstelling over de schrijver Jorge Luis Borges vertegenwoordigde een derde richting in het programma. Borges, die zich eigenlijk aan de periferie van de beeldende kunst bevindt, heeft daarop toch veel invloed gehad. De ICA biedt Nederlandse curators bovendien de mogelijheid om exposities te organiseren van Nederlandse kunstenaars.