Heerma geeft vernieuwing in steden geen extra bijdrage

DEN HAAG, 23 APRIL. Voor de voltooiing van de stadsvernieuwing trekt de regering nog 11 miljard gulden uit en niet meer, ofschoon de gemeenten daarom hadden gevraagd. Dit blijkt uit een brief die staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) vanmiddag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De staatssecretaris gaat ervan uit dat de stads- en dorpsvernieuwing in 2005 zal zijn afgerond.

Deze opstelling koos Heerma ook vorig jaar, toen hij een ontwerpnota presenteerde over de toekomst van de stadsvernieuwing. Zowel de grote enmiddelgrote steden, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als het samenwerkingsverband van de provincies (IPO) hebben de afgelopen periode becijferd dat voor de stadsvernieuwing veel hogere bedragen nodig zijn. Zij hebben Heerma niet overtuigd; hij blijft zijn conclusie dat 11 miljard als bijdrage van het rijk genoeg is. Dat is ongeveer de helft van de totale kosten.

In die opvatting voelt de staatssecretaris zich gesterkt door de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van woningen die voor 1970 zijn gebouwd. De resultaten daarvan zijn volgens het ministerie van volkshuisvesting gunstiger dan verwacht. Alleen de vooroorlogse, particuliere huurwoningen vormen op dit beeld een uitzondering.

Heerma komt bij zijn ramingen ook lager uit dan de gemeenten, want die willen meer woningen uit het budget van de stadsvernieuwing laten opknappen. De staatssecretaris vindt dat de huurverhogingen van 5,5% daarvoor de verhuurders voldoende middelen bieden. Een ander geschilpunt doet zich voor bij de bodemsanering. Gemeenten denken dat in de stadsvernieuwingsgebieden het schoonmaken van de bodem vrijwel altijd nodig zal zijn; het kabinet schat op grond van de huidige ervaringen dat hiervan in één op de drie gevallen sprake zal zijn.

Volgens het plan van Heerma worden de rijksbijdragen aan de stadsvernieuwing telkens na perioden van vier jaar verlaagd; in 2005 is het de bedoeling op nul uit te komen. De verdeelsleutel wordt veranderd; het ligt in de verwachting dat de bijdrage aan de vier grote steden relatief hoger zal worden ten koste van de overige gemeenten.