Gods vuur als straf voor lichtzinnigheid

Wie vanuit Ventimiglia de S 20 richting Cuneo volgde, kon het vlak voordat de weg een stukje Zuidoostelijk Frankrijk doorkruiste rechts op de berghelling zien liggen: een Italiaans bergdorpje als alle andere.

De torenspits stak fier boven de huizenrij omhoog. Vijfentwintig jaar geleden was hier met ruim dertig autochtone bewoners nog sprake van een echt dorpsleven. Nu wonen er in de winter zegge en schrijve vijf (5) Italianen, van wie zelfs de jongste de pensioengerechtigde leeftijd al lang geleden passeerde. Daarnaast overwintert er een handvol nieuwkomers, meest buitenlanders die zich na hun pensionering permanent in het dorpje vestigden.

De talrijke uit rots gehouwen en kris-kras over elkaar heen gebouwde huizen verwijzen naar een levendiger dorpsverleden. Hier moeten ooit honderden dorpelingen hebben gewoond in een geïsoleerde maar vredige gemeenschap. Spelende kinderen, wapperende was en zwaar beladen ezels hebben hier nog tot het begin van deze eeuw het straatleven bepaald. Tot hoog in de bergen herinneren de verwilderde olijfbomen aan de destijds voornaamste bron van inkomsten.

De huizen zijn voor een belangrijk deel gegroepeerd rond het Piazza del Populo, waar in vroeger dagen tegen zonsondergang de dorpelingen bijeenkwamen om wijn te drinken, te kaarten en een balspel te beoefenen. Vorig jaar overleed Giovanni, de laatste die nog elke avond bij de lang geleden drooggevallen dorpspomp te vinden was. Iets hoger gelegen staat de trots van het dorp, de kerk. Ook uit de omvang van dit middeleeuwse bouwwerk blijkt de bloei van weleer. Rijen banken en stoelen aan weerszijden van een ruim middenpad, dat uitmondt bij een flink altaar. Hier kwam nog elke zondag de pastoor uit een naburig dorp voor drie of vier gelovigen de mis opdragen.

Tot de ramp het dorp trof, die nu al enkele weken de gemoederen bezighoudt. Tijdens een hevig onweer is op een nacht in april, kort voor Pasen, de fraai ingelegde torenspits met een oorverdovende klap van zijn voetstuk gerukt. Wat er nog van de toren over was, werd diagonaal doormidden gekliefd. De resten van de spits waren tot in de wijde omgeving van de kerk te vinden. Dat bracht de dorpelingen tot de conclusie dat de torenspits moet zijn "geëxplodeerd'.

De klok hing er nog, maar treurig uit het lood. Het interieur van de kerk bood de aanblik van het decor van een horrorfilm. De luchter was naar beneden gevallen en de kruisgang lag gedeeltelijk aan stukken op de vloer. Het altaar bood een nog angstaanjagender aanblik: gevallen en deels geblakerde stukken steen hadden het houtwerk onhelstelbaar beschadigd. Het mocht werkelijk een godswonder heten dat de hele kerk (en vervolgens misschien wel een deel van het dorp) niet in brand gevlogen was.

Nadat de autochtonen van de schrik bekomen waren, deden de eerste speculaties de ronde: zou het de Toorn Gods zijn, die hier werd geopenbaard? Immers, was het dorp de afgelopen decennia niet verkwanseld aan buitenlanders, die van lieverlede de verlaten huizen hadden opgekocht om er vakantieverblijven van te maken? Was hun lichtzinnigheid er niet de oorzaak van dat in de zomermaanden ineens homoseksualiteit, drugs, buitenechtelijke gemeenschap, aids en blasfemie in het dorp hun intrede deden?

Was het inderdaad het Vuur Gods dat uit de hemel viel en de 500 jaar oude toren onthoofdde, of gewoon een samenloop van atmosferische omstandigheden - waarvan de nieuwkomers overtuigd bleven. Bij het van verre waarnemen van het gemutileerde dorpsaanzicht is de associatie met een schandvlek snel gemaakt. De bijbelvaste voorbijganger schiet misschien zelfs Lukas 10:18 te binnen: “Ik zag den Satan als een bliksem.”

Foto Ingeborg Spielmans: De kerk voor (links) en na het onweer.