Geen dun kinnetje meer onder het kunstgebit

Jonkman R.E.G. Plooij J. Wortels onder een kunstgebit. Behouden? Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. ISBN nr. 90-9004895-2. April 1992.

Slinkende kaken, zouden net als de Ivoren Wachters, een onderwerp voor een roman kunnen zijn. Het prozawerk zou een spiegelbeeld kunnen geven van het lijden van de drager van het kunstgebit. De ongelukkige die zo weinig houvast in zijn mond heeft dat hij zich niet meer in het openbaar gaat vertonen en zich, in sociaal opzicht, isoleert omdat zijn gezicht, onder de neus, zo in elkaar is gezakt dat hij zich schaamt om met anderen om te gaan.

Wat eten betreft is hij veroordeeld tot een menu van soep, gehakt, pap of voor de variatie een ander vloeibaar dieet, als u ten minste behalve puree een ander zou kunnen bedenken. We spreken dan maar niet over de akelige pijnen die hij weer gaat lijden als hij voor de zoveelste maal, bij de zoveelste tandarts of zelfs tandtechnieker, zich een nieuwe prothese laat aanmeten en evenmin over de kosten van de behandeling.

In het algemeen wordt door mensen die hun eigen tanden en kiezen hebben, nogal eens lacherig gedaan over het kunstgebit. En wanneer er dan verteld wordt dat er zo'n 800.000 mensen in Nederland met hun prothese min of meer ernstige problemen, dan wordt er hooguit verbaasd gekeken. Omdat mensen met hun eigen natuurlijk gebit zich nu eenmaal niet in een dergelijke situatie kunnen inleven. Net zoals men dat niet kan bij iemand die doof is, een oog, been, arm, long of nier mist.

Op 7 april promoveren in Nijmegen twee tandartsen, Jonkman en Plooij, promoveren op het probleem van de slinkende kaken na de totale gebitsextractie. Hun onderzoek gaat vooral over de manier waarop het slinken van de kaken kan worden beperkt. Opvallend is dat de onderkaak gewoonlijk vier maal snller slinkt dan de bovenkaak. De resultaten van dit onderzoek zullen er zeker toe bijdragen dat toekomstige prothesepatiënten minder ellende zullen hebben.

De achtergrondgedachte van Plooij en Jonkman waren de volgende. Tot op heden is het in de meeste landen gebruikelijk om in situaties waarin de eigen tanden en kiezen van patiënten niet meer zijn te behouden, of wanneer mensen dit wensen, alle gebitselementen te trekken en daarvoor in de plaats een zogenaamde immediaat-prothese aan te brengen. Een dergelijk kunstgebit wordt vóór extractie vervaardigd en direct in de mond geplaatst nadat de laatste tanden en kiezen zijn getrokken.

In het afgelopen decennium is, vooral ook door Nederlandse onderzoekers in de internationale literatuur, gepleit enige wortels van de eigen tanden van de patiënt te behouden en over deze wortels een volledige prothese te plaatsen. Er bestonden al aanwijzingen dat zo'n overkappingsprothese de slinking verminderde. Verder zou zo'n prothese vaster in de kaak blijven zitten.

Tot aan de jaren '80 was de toepassing van zo'n overkappingsprothese echter niet populair. Vooarl omdat de overkapte wortels, vooral van de hoektanden, nogal eens door ontstekingen werden aangetast. Door de verbeterde preventieve mogelijkheden is de prognose van behoud van de wortels sterk verbeterd. Vandaar dat de belangstelling voor de overkappingsprothese weer is toegenomen.

De Nijmeegse onderzoekers kozen voor een zeer arbeidsintensieve opzet van hun onderzoek. Allereerst werd een aantal meetinstrumenten ontwikkeld en enige tandartsen uitgekozen om de behandelingen uit te voeren. Daarna selecteerden zij 75 personen waarbij de overgebleven tanden en kiezen dusdanig van kwaliteit waren dat een volledige extractie de enig aangewezen behandeltherapie was. Vervolgens verdeelden zij de patiënten, volgens toeval in drie groepen van ieder 25 proefpersonen met een gemiddelde leeftijd van zo'n 54 jaar. Bij de eerste groep werden de patiënten conventioneel behandeld; alle gebitselementen werden getrokken en een volledige prothese werd daarna aangebracht. Bij de tweede groep werden de wortels van twee onderhoektanden gespaard, van een wortelkanaalbehandeling voorzien en tot het tandvlees verlaagd, waarna over deze afgezaagde wortels een overkappingsprothese werd geplaatst. Bij de derde groep werd dezelfde procedure gevolgd als bij de tweede groep, maar met die uitzondering dat de wortels van de hoektanden niet volledig werden verlaagd door het tandvlees maar dat bovenop de wortels een metalen verankering was aangebracht waarover de prothese dan weer werd geplaatst.

De patiënten zullen nog enkele jaren worden gevolgd, maar de resultaten van Jonkman en Plooij betreffen de resultaten na één jaar dragen. Misschien een beetje kort maar het is bekend dat de slinking van de onderkaak in het eerste jaar het grootst is.

De functie van de prothese werd door twee beoordelaars bekeken, kauw- en bijtproeven werden uitgevoerd en voor het onderzoek naar de kaakbotreductie werden op diverse tijdstippen röntgenopnamen vervaardigd. Ook kregen de patiënten vragenlijsten voorgelegd om een indruk te krijgen van hun tevredenheid met de diverse gebitsvoorzieningen. Jammer genoeg werd niet gekeken naar de kosten op langere termijn.

Het meest opvallende resultaat is het verschil in slinking van de onderkaak. Bij de twee groepen met de overkappingsprothese is de slinking van de gehele onderkaak - en dus niet alleen bij de wortels van de hoektanden - ongeveer 50 procent minder. Dat verschil in kaakbotreductie is vrijwel zeker terug te voeren op het verschil in behandeling. Er werden verder geen beïnvloedende factoren gevonden, zoals bij voorbeeld sexe, leeftijd, de mate van het kaakbotverval en de aanwezigheid van de resterende gebitselementen voor aanvang van de behandeling. Daarnaast bleek dat de patiënten met een overkappingsprothese beter kunnen kauwen en meer kracht met hun kunstgebit kunnen uitoefenen.

Toch blijkt de tevredenheid niet significant te verschillen tussen de patiënten. Wel vinden de patiënten met de overkappingsprothese dat hun prothese comfortabel vastzit. Mogelijk zullen deze verschillen in tevredenheid op langere termijn nog zichtbaarder worden. Dat zal ook duidelijk worden of er tandvleesontstekingen optreden rondom de wortels bij de patiënten met de overkappingsprotheses.

Over de kaakbotreductie bij de drie groepen wordt uitgebreid gefilosofeerd. Vooral over het feit dat bij de patiënten met de overkappingsprothesen de kaak niet alleen om de aanwezige wortels maar ook over de gehele linie minder is geslonken dan bij de eerste groep.

Een verklaring voor het fenomeen is moeilijk te geven. De onderzoekers opperen voorzichtig dat het behoud van de wortels een betere krachtenverdeling en stabiliteit van de gebitsprothese waarborgt. De druk op de kaak zou hierdoor aanzienlijk afnemen. De bloedvoorziening van het aanwezige kaakgedeelte zou beter intact blijven en het bot zal daarom toch minder snel ontsteken. Al met al een situatie waardoor de kans op grote slinking beperkt blijft.

Het is interessant om te speculeren over de uitkomsten op langere termijn. Voor patiënten, tandarts en ziektekostenverzekeraars is dit onderzoek van groot belang omdat de resultaten ervan wezenlijk kunnen bijdragen tot de verzachting van de ellende van de prothesedragers en inzicht geven in de kosten van gezondheidszorg op langere termijn.

Anders is dat op de maan. Daar treft de zonnewind, niet tegengehouden door een atmosfeer, met zijn volle 500 km/uur het oppervlak, genoeg om de deeltjes zo'n honderd atoomlagen diep in het maanstof te doen doordringen. In de miljarden jaren dat dit proces al voortgaat hebben meteorietinslagen dat stof telkens omgewoeld, zodat nu ook in monsters die de Amerikaanse astronauten enkele meters diep hebben genomen de lichte elementen van de zonnewind zijn aangetroffen. Eén op de 500 heliumatomen bleek massagetal 3 te hebben.