Duifies, duifies, wat zijn ze mak

"Vogelverschrikkers werken wel, als je ze maar een handje helpt met een geweer.' Patrick Gregory aan het woord, boer in Suffolk. Gregory heeft last van duiven en schiet ze met groot plezier. Om maximaal genoegen aan het jagen te kunnen beleven moet hij wel wat extra duiven lokken. Dat gaat met lokduiven, decoys, en Gregory heeft op dat gebied een uitvinding gedaan.

Eerst eens kijken in de oude doos. De gewone houten lokeend laten we buiten beschouwing. Die is niet uitgevonden maar ontstaan, en vast niet in de XXste eeuw. Een fractie meer high-tech appeal vinden we in de verbeterde lokeend uit 1964 van de Amerikaan Armand Robert. Het beest heeft vleugels met verende gewrichten en wordt met pinnen in de grond verankerd.

[Ill. 1]

Trek van achter de staart aan een touw en de vleugels strekken zich. Laat los, en ze vrouwen zich weer langs de eend z'n lijf. Zo krijg je levende vogels binnen schootsafstand, aldus de uitvinder.

Heel wat geestiger dan die van Robert is de lokvogel uit 1932 van de Londenaar Arthur Penn.

[Ill. 2]

Penn kreeg een octrooi op een uitvinding "bedoeld om wild gevogelte aan te trekken en in staat te stellen om te worden geschoten'. Het gaat om een mechanische vogel die aan zijn vleugels is opgehangen aan een soort waslijn. De vleugels zijn door spiraalveren verbonden met de buik van het beest. Vanaf de buik loopt een touw recht naar beneden naar een ring in de grond, en vandaar in horizontale richting naar de plek waar de jager in hinderlaag ligt. Ziet hij een schietbare vogel in de verte, dan trekt hij aan het touw. De lokvogel zal dan een tijdje fladderen op een manier die volgens Penn lijkt op landen. En waar een soortgenoot landt, daar is het veilig en daar is hoogstwaarschijnlijk ook eten. Dus daar moet je wezen, als stuk wild gevogelte.

De nadelen zijn duidelijk. Als deze vogel fladdert, bewegen niet zijn vleugels op en neer, maar zijn romp. Wanneer hij "geland' is, blijven zijn vleugels gestrekt en het hele dier blijft zelfs boven de grond hangen. Dat is niet natuurlijk. Deze problemen zijn in 1941 ondervangen door Neville Stops uit Southampton. Zijn decoy is een vogelfiguur met beweegbare vleugels die aan een paal is geregen.

[Ill. 3]

Het geval is in eerste instantie bedoeld voor de duivenjacht. Het touw dat de jager in het struikgewas in zijn hand houdt gaat via de voet van de paal omhoog naar de top en is daarvandaan aan de vogel bevestigd.

Wanneer er moet worden gelokt, trekt de jager in één keer de vogel naar de top van de paal. Binnen in de vogel zit een wieltje tegen de paal gedrukt, dat bij de opstijgmanoeuvre gedwongen wordt te gaan draaien. Via dat wieltje worden de vleugels aangedreven. Daarna wordt het touw gevierd, en de zwaartekracht breng de duif terug omlaag. De vleugels worden daarbij weer aan het fladderen gebracht. Het is een kleine moeite om de hele machinerie zo af te stellen dat op de grond de vleugels langs het lichaam van de vogel zitten.

Het eerste bewijs dat wij hebben van de Grote Sprong Voorwaarts in het lokvogelwezen is een Frans octrooi uit 1964 op naam van Louis Gosré, uit het district Loire-Atlantique.

[Ill. 4]

Het is een metalen frame waarin je een dode vogel kunt zetten. Het frame heeft de vorm van een bootje zonder bodem. Daarin komt de romp van het lijk. De boeg van het bootje steunt de nek, en loopt uit in een scherpe pin waarop de kop stevig wordt vastgespietst. Het geheel wordt weer met pinnen in de grond geprikt. De verbinding tussen de pinnen en het bootje is verend. Als we aan het inmiddels onvermijdelijke touw trekken gaat het kadaver wippen alsof het iets lekkers van de grond pikt. Gosré dacht het meest aan de trekvogeljacht.

"Een kunstmatige vogel ziet er nooit precies goed uit', zegt de eerder genoemde Patrick Gregory (62). "Een dode heeft natuurlijke kleuren. A dead one can't be beaten. Gregory verkeert in de veronderstelling dat hij als eerste dode vogels heeft gebruikt. Maar zijn octrooi werd pas toegekend in 1972. De uitvinding van Gregory laat een dode vogel klapwieken. Het is een skelet van metaaldraad, te vergelijken met dat van Gosré.

[Ill. 5]

Het verschil is dat Gregory de vleugels op armen klemt, die omhooggetrokken kunnen worden met behulp van een touwtje. Zo klapwiekt het dode beest, met permanent gestrekte vleugels.

"Het ziet er uit als een vogel die neerstrijkt', vindt Gregory. "Veel beter zichtbaar voor duiven. Het octrooi is verlopen, het is nooit tot fabricage gekomen. Ik heb ze wel steeds zelf gebruikt. Wanneer ik maar kan ga ik jagen. Van de week heb ik er 58 geschoten. Mijn zoon schoot er 110.'

"Houtduiven zijn een plaag. Wat er ook op je veld staat, ze eten het op. Al gebruik je gaskanonnen om ze af te schrikken. De boeren klagen dat er niet genoeg op ze wordt gejaagd. Wat wil je ook: voor een duif krijg je 20 pence bij de wildhandel. Een kogel kost 10 p. Een good shot haalt 50%, dus als je duiven schiet word je er niet rijker van. Ik doe het dan nog voor de aardigheid'.

John Storry uit Norfolk is ook een fanatiek duivenjager. Hij heeft jarenlang een bedrijf geleid in artikelen designed by shooters for shooters. Daaronder talrijke lokvogels. Bijvoorbeeld één met een contragewicht die zonder problemen in evenwicht blijft op een tak. En een fladdermechaniek voor een dode vogel waarbij in tegenstelling tot die van Gregory in rust de vleugels gevouwen blijven. En, zowaar, een lokvogel met afstandsbediening. Weg touwtje.

"Je moet het niet overdrijven', adviseert Storry. "Drie keer fladderen, drie tellen wachten, nog drie keer fladderen en dan vergeten dat je 'm hebt. Een duif verwacht dat z'n soortgenoot gewoon stilzit. Het fladderen is om in het begin de aandacht te trekken.' Storry adviseert graag: hij heeft een boekje geschreven over Pigeon Shooting, met wetenswaardigheden over wapens, verdere uitrusting zoals lokvogels en gecamoufleerde schuilhutjes, een duivenjagerskalender (welk duivenvoedsel op het veld is wanneer eetbaar), goede raad voor gedrag tijdens de jacht en niet te vergeten een aantal smakelijke recepten.

Storry is zelf het meest trots op zijn Flyer. Dat is een stellage waarmee een dode vogel klapwiekend van de grond omhoogkomt en klapwiekend weer landt, zoals een duif doet wanner hij van het ene lekkere plekje naar het andere wipt. Een octrooiaanvraag op een voorloper stuurt Storry ons toe.

[Ill. 6]

Het is een metalen raam waarvan één zijde in de grond wordt verankerd. Op de tegenoverliggende zijde zit de vogel, de vleugels met elastieken langs het lijf getrokken. Door aan een vooroorlogs touwtje te trekken kan de jager zijn vogel de vleugels laten uitslaan. Als hij hard genoeg trekt, komt meteen ook de zijde van het raamwerk waar de vogel op zit, omhoog. "Zodra de vleugels bewegen zal een andere duif dat opmerken, al zit-ie op 400 meter afstand, en hij zal er een soortgenoot in zien', aldus Storry.

Van octrooien moet hij niet zoveel meer hebben. "Er is wel eens een octrooi van mij geschonden, maar ik kon me niet permitteren om ze voor de rechter te slepen. Tegenwoordig neem ik copyright op alles wat ik in twee dimensies kan voorstellen. Dat is veel goedkoper.'

Over zijn assortiment lokvogels: "Ik heb er een awful lot verkocht, minstens 15.000 stuks. Mijn bedrijf heb ik erop gegrondvest. Van huis uit ben ik meubelmaker. Vier jaar geleden heb ik de zaak van de hand gedaan. Ik kreeg er zo'n goed bod voor, waarom zou ik er nog voor werken. Maar als ik de klok terug kon draaien zou ik het niet weer doen.' Storry verkoopt tegenwoordig standruimte op vakbeurzen. Hij werkt nu aan de British International Shooting and Fishing Exhibition (!) in mei 1993.

Voor Storry is één ding immoreel: jagen in het broedseizoen. "Duiven richten veel schade aan', schrijft hij in zijn boekje, "maar ze bezorgen ons prachtige sport. Hun aantal loopt terug dus give them a break and help keep our sport. Good shooting.'

Duiven in rode wijn

Ingrediënten: zes tot acht duiven, over de lengte gehalveerd. Driekwart fles rode wijn (niet te zoet), een groot blik tomaten, een grote ui, een half pond champignons, zout en peper.

Bereiding: snij de uien fijn en bak ze in een beetje boter tot ze doorschijnend zijn (niet bruin). Snij de champignons en voeg ze toe. Licht bakken. Voeg wat bloem toe, net genoeg om de boter op te nemen. De saus moet niet te dik worden. Laat de saus 2 tot 3 minuten pruttelen en doe dan de tomaten en het sap erbij, evenals de wijn. Voeg zout en peper naar smaak toe. Breng de saus aan de kook, sluit af en laat alles drie kwartier sudderen. Braad de duiven licht in een beetje boter. Doe ze in een braadpan en giet de saus erover. Sluit goed af en laat het gerecht in een niet te warme oven (130 graden) gedurende twee uur gaar worden.