De opruimploeg van de Koude Oorlog

Vele jaren lang zijn de Afghaanse mujahedeen getooid geweest met het aureool van vrijheidsstrijders.

Zij bevochten de handlangers van Moskou die vanuit Kaboel het land met geweld onderwierpen aan een vreemde ideologie. Voor president Reagan waren zij "freedom fighters', kameraden in de worsteling met het rijk van het kwaad, samen met de contras van Nicaragua en de Unita van Savimbi. Maar met het nieuwe buitenlandse beleid van Gorbatsjov dat het einde inluidde van de geldverslindende Sovjet-steun aan de zogenaamde internationale revolutie, verdween ook de zin van de Amerikaanse tegenactie. In Afghanistan leverde dat overigens geen vrede op. De furie van de oorlog is er nog lang niet opgebrand, zelfs niet nu de laatste communistische bastions vallen.

De Verenigde Naties treden op als de opruimploeg van de Koude oorlog. Voor Afghanistan had de Volkerenorganisatie een periode van afkoeling en verzoening in petto. Volgens het door VN-afgezant Benon Sevan uitgedachte scenario had de laatste zetbaas van het vroegere Kremlin, Najibullah, het veld moeten ruimen voor een handvol onafhankelijke plaatsbekleders die dan weer de rivaliserende leiders van de mujahedeen tot elkaar hadden moeten brengen. Het onaangekondigde aftreden van Najibullah vorige week heeft een vacuüm doen ontstaan waarvan de invulling moet worden afgewacht. Verscheidene goedbewapende kandidaten dienen zich aan.

De toestand in Afghanistan stelt een intrigerend vraagstuk aan de orde. Het belangrijkste aandachtsgebied van de VN is de internationale vrede en veiligheid. Er zijn wel afgeleiden zoals zorg voor de principiële en materiële mensenrechten, maar dan toch vooral voorzover aantasting daarvan gevolgen heeft voor de internationale verhoudingen. In het conflict in Afghanistan stonden de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten tegenover elkaar, alle reden voor VN-bemoeienis dus. Maar daarvan kon pas sprake zijn nadat de beide grote mogendheden zich daadwerkelijk uit dat land hadden teruggetrokken en het gevaar voor de internationale vrede en veiligheid aanmerkelijk was afgenomen. Geruime tijd was er nog het risico van regressie, maar sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is ook dat risico nagenoeg uitgebannen. Wat heeft de VN er onder die omstandigheden nog te zoeken?

Het antwoord zou kunnen zijn dat, nu er al sprake is van internationale bemiddeling, pogingen om ook lokaal duurzame vrede te stichten niet mogen worden opgegeven. Dat antwoord klinkt redelijk en menslievend. Maar kan het de bedoeling zijn dat de mujahedeen in hun onderlinge gevecht om de macht de verantwoordelijkheid voor de toekomst van hun land voor afzienbare tijd afwentelen op de internationale gemeenschap? Met alle consequenties van dien, zoals langdurige en kostbare vredehandhavende missies van blauwhelmen en zich eindeloos voortslepende vredespogingen. De vraag stellen is haar beantwoorden: dat is niet de bedoeling geweest van de opstellers van het Handvest. De mujahedeen zullen zelf aanstalten moeten maken om tot een vergelijk te komen, willen zij aanspraak kunnen behouden op internationale bemiddeling.

Het begrip internationale vrede en veiligheid is rekbaar. Een intern conflict, een burgeroorlog, kan als een uitslaande brand over de grenzen heen voortwoekeren. De vrees daarvoor bracht de Veiligheidsraad in maart 1964 tot het unanieme besluit om een vredesmacht te legeren op Cyprus. Niet alleen werden zo de Turkse en Griekse bevolkingsconcentraties op het eiland van elkaar gescheiden, maar tegelijkertijd werden Turkije en Griekenland van interventie afgehouden. Bijna dertig jaar later is de VN-macht nog steeds ter plaatse.

De burgeroorlog in Zuid-Soedan daarentegen wordt al vele jaren lang aan zichzelf overgelaten hoewel allerlei buitenlandse invloeden zich er doen voelen. Ook de Indiase militaire interventie van 1971 ten gunste van de separatisten in Oost-Pakistan (sindsdien Bangla Desh) vermocht geen wezenlijke reactie van de VN uit te lokken. Toch werd in dat geval een internationale grens overschreden en gewijzigd.

De meest spectaculaire ingrepen van de VN op dit moment zijn die in Cambodja en Joegoslavië. Samen stuwen zij de kosten voor handhaving van de vrede op van jaarlijkse bijna zevenhonderd miljoen dollar tot ruim drie miljard dollar. Het omstreden optreden van blauwhelmen in de jaren zestig in Kongo (nu Zaïre) en de slepende operaties in Cyprus en Libanon hebben de Veiligheidsraad er niet van weerhouden het nog maar eens te proberen. Ook de Verenigde Naties zijn vervuld geraakt van het gevoelen dat met het verdwijnen van de Koude Oorlog het onmogelijke mogelijk is geworden. Weliswaar lopen beide operaties als gevolg van geldgebrek vertraging op en moeten ze om dezelfde reden in hun opzet worden begrensd, maar de boodschap is toch dat hier in naam van de internationale vrede en veiligheid iets groots zal worden verricht. In Cambodja hebben de VN zelfs tijdelijk het landsbestuur overgenomen.

Maar ook bij deze jongste crises kan de vraag worden gesteld of de internationale vrede en veiligheid er werkelijk op het spel staan. De Vietnamese interventie tegen de Rode Khmer van 1978 had immers een stabiliserend effect, zoals een jaar later de Tanzaniaanse interventie in Oeganda tegen Amin. Maar waar de laatste werd geaccepteerd, werd de Vietnamese veroordeeld als speerpunt van de Sovjet-expansie. Dat de steun in de VN aan het "wettige bewind' van de Rode Khmer communistisch China in de kaart speelde, paste in het toenmalige evenwichtsspel binnen de zogenoemde strategische driehoek Washington-Peking-Moskou. De terugtrekking van Hanoi uit Cambodja heeft de burgeroorlog inmiddels weer aangewakkerd. De Rode Khmer komt de buit alsnog opeisen. De blauwe baretten mogen nu proberen dat te voorkomen. Een nobel doel. Maar er lag eens een kortere weg naar dat doel open.

De burgeroorlog in Kroatië en Bosnië-Herzegovina behoort niet tot de erfenis van de Koude Oorlog. Het conflict vloeit voort uit de tientallen jaren van gelijkschakeling onder het bewind van Tito en diens opvolgers. Gemeten naar de lange aanloop tot de uitbarsting van de gewapende strijd midden vorig jaar hebben de VN zich geruime tijd op de vlakte weten te houden. De Joegoslavische crisis werd dan ook tot voor kort niet beschouwd als een regelrecht gevaar voor de internationale vrede en veiligheid, gezien de omstandigheid dat geen van de buurlanden van zins was of in staat mocht worden geacht zich een stuk Joegoslavië toe te eigenen. Het conflict viel kennelijk wel binnen de termen van regionale bemoeienis (hoofdstuk VIII van het Handvest); de Europese Gemeenschap en de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa werpen zich nog steeds op als geëigende instanties voor bemiddeling.

De opdeling van Joegoslavië in een aantal internationaal erkende onafhankelijke republieken heeft van de gewapende strijd tussen de verschillende bevolkingsgroepen inderdaad en ten langen leste een internationaal conflict gemaakt. Het optreden van het federale leger in Kroatië en Bosnië-Herzegovina kan nu waarschijnlijk en desgewenst als internationale agressie worden veroordeeld. Maar het onderscheid met duurzame, bloedige en door de VN verwaarloosde burgeroorlogen in landen als Soedan, Somalië, Ethiopië, Liberia, Mozambique en Sri Lanka blijft menselijkerwijs gesproken toch subtiel. Hoe elastisch is het Handvest eigenlijk?