Clubliefde de sleutel tot succes van voetbaldorp

GROESBEEK, 23 APRIL. Op een veld bij een rij grauwe gemeentewoningen aan de bosrand, spelen een stel jochies een partij voetbal.

Twee sportjacks dienen als doelpalen. “Ik ben Paul Meijers”, roept een in blauw trainingspak uitgedost spelertje. “Ik Patrick Geurts”, schreeuwt een ander voetballertje uit. Achter hem zit iemand op de bal. Hij noemt zich Gerrie de Schouwer en neemt in de gestaag neerdalende regen tussen de twee jassen plaats. Willems, Derks, Oomen, Visser en Müskens. Het zijn voor de buitenstaander nietszeggende namen, maar voor de jongens op het veld vertegenwoordigen zij de vedetten van het Groesbeekse voetbal.

Groesbeek, een dorp onder de rook van Nijmegen met dik achttienduizend inwoners, geldt als een bastion in het amateurvoetbal. De heuvelachtige gemeente is opgebouwd uit de kerkdorpen De Horst, De Breedeweg, Berg en Dal, Heilig Landstichting en het dorpscentrum en kent maar liefst zeven voetbalverenigingen. De bekendste is ongetwijfeld De Treffers, dat in de afgelopen tien seizoenen vijf maal de kampioensvlag kon hijsen met als uiteindelijke bekroning de nationale titel in het amateurvoetbal die de club het afgelopen jaar binnenhaalde.

De tegenhanger is Achilles'29, dat evenals De Treffers uitkomt op het hoogste amateurniveau, de hoofdklasse B. Daarnaast kan derdeklasser Germania komende zondag het tweede kampioenschap in twee seizoenen behalen. Het krijgt dan op het bordes van het Groesbeekse gemeentehuis gezelschap van Rood Wit, dat kampioen wordt in de vierde klasse. De club heeft "buurman' Groesbeekse Boys in de ranglijst als voornaamste concurrent achter zich gelaten. Desondanks kan de beladen derby ook volgend jaar een vervolg krijgen, mits Groesbeekse Boys de nacompetitie wint. Tenslotte spelen nog twee clubs uit de gemeente in de afdeling Nijmegen: DVSG en Meerwijk.

De laatste twee brengen hun voetbalprestaties al jaren in volstrekte anonimiteit door en worden zelfs in het dorp niet altijd even serieus genomen. Voor de overige verenigingen geldt dat ze veel ambitie hebben. Daaronder lijdt de onderlinge verstandhouding maar al te vaak. Vooral tijdens en rondom de derby's. En daar zijn er twee van. In de hoofdklasse vechten Achilles'29 en De Treffers al veertien jaar om de hegemonie in het dorp in twee onderlinge confrontaties. De laatste negen jaar trekt de huidige landskampioen steeds aan het langste eind, de achterban van Achilles'29 gedesïllusioneerd achterlatend.

Daarnaast is in de lagere regionen van het amateurvoetbal ook nog sprake van een vete. Groesbeekse Boys ontmoette dit voetbalseizoen namelijk Rood Wit. Dat is de buurman uit het kerkdorp Breedeweg. Binnen de hechte gemeenschap raken de gemoederen dan ook danig verhit als de de derby wordt gespeeld.

“Voetbal beheerst het hele leven in Groesbeek. De clubs hebben een leger aan vrijwilligers, die een enorme clubliefde hebben”, zegt Jan Peters, de meest bekende voetballer die Groesbeek heeft voortgebracht. Peters speelde in het verleden voor NEC, AZ'67, Genoa en Atalanta Bergamo. Bovendien bracht hij het tot international. “Een sleutel tot het succes is de enorme clubliefde in Groesbeek”, zo zegt Peters die bij Germania opgroeide en zijn carrière afbouwde bij De Treffers, “Elke buurt heeft een eigen club, waarvoor de vrijwilligers het gras opvreten. Bovendien heerst er een perfect voetbalklimaat omdat Groesbekers gek van voetbal zijn. Het vormt hét gespreksthema van de dag.”

Henk Grim, tegenwoordig speler bij de Nijmeegse eerste-divisieclub NEC, geeft de volgende analyse van het succes van de voetbalenclave Groesbeek. “Alles staat of valt met de onderlinge rivaliteit”, meent hij. “De clubs trekken zich aan elkaar op. Ik denk ook dat de prestaties van De Treffers heel wat minder zouden zijn als Achilles er niet was. Dan had De Treffers niet zo ambitieus gewerkt. De clubs willen gewoon niet voor elkaar onderdoen. Dat zie je bij Rood Wit en Groesbeekse Boys ook. Die drang heerst binnen een club. Groesbekers willen winnen en de beste zijn.”

“Maar voetbal is ook een uitlaatklep”, vervolgt Frans Janssen, die vijftien jaar als profvoetballer van NEC door het leven ging. “In mijn jeugd (de jaren zeventig, red) was het een manier om de moeilijke omstandigheden te ontvluchten. Ik kwam uit een achterbuurt, het Vilje. Wij moesten werken om brood op de plank te hebben. School was er niet bij. Uiteindelijk was dat een goede voedingsbodem voor het voetbal. De armoede vormde je karakter en staalde je mentaliteit. Dat kon je ook zien aan de buurtwedstrijden tussen het Vilje en bijvoorbeeld De Stekkenberg. Dat waren meestal vechtpartijen.”

Afgelopen jaar verkaste de Groesbeekse middenvelder Arno Arts van NEC naar het Zwitserse FC Luzern. Hij waakt voor al te veel optimisme. “Groesbeek, voetbal en muziek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Desondanks ben ik de laatste profvoetballer die Groesbeek in de loop der jaren heeft voortgebracht. Maar na mij komt er ook weer een nieuwe profvoetballer. Daarvan ben ik overtuigd. Ook al zie je steeds minder jongens na school op een veldje voetballen.”

Ook Frank Wijnhoven en Henk Grim zien de toekomst met huiver tegemoet. “Zonder de jongens van buitenaf”, stelt Grim, “ kun je geen topvoetbal spelen. Dan zijn de Groesbeekse clubs tweede of derde klassers. Meer niet. Daarom zie je bij De Treffers ook dat vooral de jongens van buitenaf dat beetje extra geven, terwijl de Groesbekers de waterdragers zijn. En Achilles is nog meer aangewezen op het halen van spelers, omdat die club de helft van het aantal leden van De Treffers heeft.”

Frans Janssen daarentegen meent dat er zeker nog talent in het dorp rondloopt, maar dat het geen kans krijgt omdat de concurrentie te groot is. “De hoofdklassers halen vaak spelers die afvallen bij een betalende club. Er is namelijk een soort driehoeksverhouding. De Treffers en Achilles zijn juist op die jongens uit die bij NEC of een andere betaalde club te licht worden bevonden, terwijl NEC de besten bij de Groesbeekse hoofdklassers weghaalt. Ze moeten er echter wel rekening mee houden dat de eigen jongens tegen die concurrentie moeten opboksen. En dan zie je ze vaak door de mand vallen. De hoofdklassers moeten dus kiezen tussen de eigen jeugd of geroutineerde spelers van buitenaf, maar het risico met de eigen jeugd durven ze niet aan. Dat is de keerzijde van de rivaliteit. Er moet gepresteerd worden om niet af te gaan tegenover de buurman. Desondanks vind ik dat de eigen talenten gewoon een kans moeten krijgen. Bij Germania, Rood Wit en Groesbeekse Boys doen ze dat wel. Maar ja, dat zijn juist de spelers die geen kans krijgen bij de hoofdklassers.”

In het amateurvoetbal, en dus ook in Groesbeek, doen altijd verhalen over het zwart betalen van spelers de ronde. “Om de prestaties in stand te houden moeten er wel spelers geronseld worden”, is het commentaar van Arno Arts. Ook Frank Wijnhoven heeft een uitgesproken mening. “Maatschappelijk wordt er wel iets voor de jongens geregeld. Daarnaast zal er best wel wat onder de tafel worden geschoven. Maar ik denk dat Groesbeek vooral voorop loopt ten opzichte van andere amateurclubs door de goede organisatie die de clubs hebben.”

Alle coryfeeën uit het Groesbeekse voetbal zijn ervan overtuigd dat er in het dorp een authentiek voetbalklimaat heerst. Arno Arts plaatst echter ook kanttekeningen bij die weelde. “Als je er even bovenuit steekt, doen veel mensen er alles aan om je af te maken. Er is een enorme afgunst en vooral als je wat verdient met voetbal. Daar heb ik niet alleen last van, hoor. Als je toch ziet wat Jan Peters voor het Groesbeekse voetbal heeft betekend en je ziet dan hoeveel mensen een hekel aan hem hebben zonder dat ze hem goed kennen. Dat is typisch Groesbeek. Ook de andere profvoetballers uit Groesbeek hebben meer vijanden dan vrienden.”

Ondanks het hoge niveau van het Groesbeekse voetbal, peinzen de clubs er niet over om te fuseren zodat betaald voetbal mogelijk zou zijn. “Dat is ondenkbaar”, analyseert Peters. Dan kom je weer op de rivaliteit uit, die dan verdwijnt. Maar bovenal heeft het geen toekomst omdat het etiket van een club inmiddels te groot is. De grootste barrière vormt namelijk het ontbreken van eensgezindheid.”