Bhagwati: VS willen meer gecontroleerde handel

The World Trading System at Risk.Auteur: Jagdish Bhagwati Uitgeverij Harvester Wheatsheaf, Hemel Hempstead, 1991 Prijs: ƒ 44,90; viii + 156 blz. ISBN 0-7450-1026-1

Jagdish Bhagwati is en blijft een optimist. Al jaren behoort deze Professor Economie van Columbia University (New York) tot de meest bezielde pleitbezorgers van het na-oorlogse systeem van vrije wereldhandel. Zijn grondgedachte is vrij simpel: niemand is gebaat bij een nieuwe golf van protectionisme. Ook Bhagwati's nieuwste boek, The World Trading System at Risk, staat weer boordevol met ongekunstelde argumenten voor het behouden en het moderniseren van de GATT (de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel). Het boek presenteert bovendien een helder overzicht van de ontwikkelingen die deze open wereldeconomie de laatste jaren juist lijken te ondergraven.

De GATT heeft sinds haar oprichting in 1947 geprobeerd om via verschillende onderhandelingsronden tariefmuren te beslechten; vaak met succes. De laatste ronde, die in 1986 in Uruguay van start ging, is echter in december 1990 vastgelopen op een structureel conflict tussen de Verenigde Staten en de Europese Gemeenschap over de gewenste reductie van de landbouwsubsidies. Binnen de EG houdt met name Frankrijk halsstarrig vast aan het subsidiëren van haar inefficiënte landbouw, maar ook de VS zijn nauwelijks bereid water bij de wijn te doen. Het conflict tussen beide partijen is zelfs zo hoog opgelopen dat de Amerikaanse vice-president, Dan Quayle, enige tijd geleden heeft gezinspeeld op het terugtrekken van Amerikaanse troepen uit Europa wanneer de EG niet bereid is om concessies te doen in het kader van de GATT.

“De GATT is absoluut wezenlijk voor de veiligheid van de VS, we moeten daar slagen”, aldus Quayle, want anders “lopen we het gevaar dat het Atlantisch bondgenootschap in een ernstige crisis terechtkomt.” Dit soort krachtige Amerikaanse taal ten faveure van de GATT is verwonderlijk aangezien het protectionisme juist in de Verenigde Staten toeneemt. Washington was decennia lang een fervent aanhanger van het GATT-regime, maar heeft zich nu in korte tijd ontpopt als een voorstander van wat het zelf "gecontroleerde handel' en "eerlijke handel' noemt; concepten die wezensvreemd zijn aan de regels van het GATT.

Evenals de meeste Westeuropeanen en Japanners maakt ook Bhagwati zich ernstig zorgen over het aanzwellen van de isolationistische en protectionistische onderstroom in Amerika's handelsbeleid. Volgens Bhagwati lijden de VS aan het "krimpende reus'-syndroom. Washington heeft moeite om zich aan te passen aan haar nieuwe, meer bescheiden positie binnen het mondiale politieke en economische krachtenveld. De VS moeten het nu opnemen tegen de nieuwe "reuzen', zoals de EG (onder leiding van Duitsland) en Japan. In deze strijd, die dominantie in de strategische high-tech industrie tot inzet heeft, speelt de GATT een ondergeschikte rol. Overheden ondersteunen hun high-tech bedrijven uit strategische overwegingen en zijn niet van plan om de specialisatie in semi-conductors, vliegtuigen of auto's over te laten aan het toeval van de comparatieve kostenvoordelen.

Een ander probleem is van technische aard. De GATT richtte zich voorheen vooral op het reduceren van tarieven in de handel in goederen; diensten (evenals agrarische produkten) vielen aanvankelijk niet onder het GATT-regime. Maar aangezien de Amerikaanse concurrentiepositie de laatste jaren juist op dat terrein is versterkt, zet Washington zich in om de wereldhandel ook in de dienstensector te liberaliseren. Zo is de Uruguay Ronde onder meer bedoeld om vergaande afspraken te maken over het elimineren van de z.g. non-tarifaire barrières (NT-B's), die in deze sector een grote rol spelen. Het gaat daarbij meestal niet om gemakkelijk te identificeren handelsbarrières zoals tarieven, maar om staatssubsidies, monopolies, kartels en handelsbelemmerende milieu- of gezondheidseisen.

In 1989 identificeerde de Amerikaanse regering Japan als de belangrijkste boosdoener die produkten en diensten uit de VS structureel zou weren. Het Amerikaanse Congres nam daarop een wet aan die de Japanse markt als een soort koevoet zou moeten openbreken: de Japanners moesten de import uit de VS aanzienlijk opschroeven en "vrijwillig' hun export beperken. Tegelijkertijd groeide de bezorgdheid over Tokio's toenemende financiële en politieke invloed in Amerika, dat weer mede een uitvloeisel was van Japans steeds groeiende handelsoverschot met de VS. Met het verdwijnen van het communisme als Amerika's grootste vijand, lijkt Japans "Rijzende Zon' de rol van "evil empire' moeiteloos over te nemen.

Bhagwati waarschuwt in zijn boek tegen dit "Japan bashing' dat in de Verenigde Staten steeds meer in zwang raakt. De argumenten die hij aandraagt, zijn veelal economisch van aard. Japanners zijn niet bereid om de auto's van Amerika's "Grote Drie' (General Motors, Ford en Chrysler) aan te schaffen, terwijl de meeste Amerikanen juist wel zijn overgegaan op de goedkope, en vaak kwalitatief betere Toyota's en Honda's. Volgens Bhagwati betekent dit zeker niet dat de Japanse markt structureel gesloten is, maar dat de autofabrikanten in Detroit beter hun best moeten doen om de Japanse consument te overreden met betere produkten.

Bhagwati wijst verder op de culturele stereotypen die in de Verenigde Staten worden gehanteerd om de Japanse onbuigzaamheid en recalcitrante houding binnen het GATT te verklaren. Bhagwati ontkent dat Japanners zich om die reden niet zouden willen houden aan de principe-afspraken om de handel te liberaliseren. De Amerikaanse houding is volgens Bhagwati ook nogal tegenstrijdig: de VS pretenderen het GATT-regime te willen redden door Japans markt met harde hand open te breken; dat daarbij de regels van het GATT op hoofdpunten worden geschonden wordt in Washington afgedaan als een goedwillende vorm van "creative illegality'.

Bhagwati wijst niet uitdrukkelijk Washington aan als de hoofdschuldige in dit handelsdrama. Maar door belangrijke dimensies in dit conflict tussen de VS en Japan ongenoemd te laten, kiest hij toch duidelijk partij tegen het Amerikaanse unilateralisme. Zo rept Bhagwati met geen woord over Japans beruchte keiretsu's, wat zoveel wil zeggen als "systeem', of "conglomeraat'. Japanse bedrijven zijn nauw gelieerd aan banken en de overheid, waarbij elk onderdeel van zo'n keiretsu elkaars aandelen bezit. De presidenten binnen zo'n "systeem' ontmoeten elkaar zeer geregeld en belangrijke beslissingen worden in overleg genomen. Met name de distributie-keiretsu's, die een web van relaties spannen tussen grossiers, detailhandelaren en fabrikanten, zorgen ervoor dat buitenlandse goederen en diensten van de Japanse markt worden geweerd. Volgens sommigen zijn deze samenwerkingsverbanden onschuldig, anderen zien het als een samenzwering om Japan gesloten te houden.

Vrije wereldhandel, op basis van een theoretisch optimaal model van comparatieve kostenvoordelen, lijkt voor de Verenigde Staten niet meer zo'n goed systeem als enkele decennia geleden. De machteloosheid van de GATT staat in schril contrast tot de gespierde taal en de krachtige acties die Washington nu steeds vaker op eigen houtje onderneemt. Daarmee lijkt de GATT verworden tot wat wel wordt genoemd de "General Agreement to Talk and Talk'.

Ondanks al deze bedreigingen van de vrije wereldhandel is Bhagwati in het geheel niet negatief of pessimistisch. Met de kreet “The GATT is dead; long live the GATT” geeft hij aan dat hij voor deze organisatie nog talloze grootse taken in het verschiet ziet liggen. Bhagwati spoort de leiders van de EG, de VS en Japan aan om de politieke wil op te brengen om de GATT uit de impasse te halen. Gezien de versteende onderhandelingsposities lijkt dit echter een vrome wens. Duitsland zou als de huidige voorzitter van de G-7 een laatste poging kunnen doen om nog dit jaar met vereende krachten de Uruguay Ronde van de ondergang te behoeden, maar dat Jagdish Bhagwati's boekenwijsheid daar behulpzaam bij zou zijn, lijkt me niet waarschijnlijk.