Alleen notariaat weet hoe de bevolking over erfrecht denkt

De discussie over het erfrecht van de langstlevende echtgenoot krijgt een steeds vinniger karakter. Vooral in en rond het ministerie van justitie begint men zich blijkbaar grote zorgen te maken. Op 21 maart trekt de ambtelijke ontwerper van het regeringsontwerp, mr. drs. B.C. de Die, flink van leer in het Weekblad voor privaatrecht, notariaat en registratie (WPNR), op 4 april doet minister Hirsch Ballin in De Telegraaf een forse duit in de zak en zaterdag trachtte oud-minister van justitie Korthals Altes, onder wiens verantwoordelijkheid het ontwerp werd opgesteld, in deze krant te redden wat er nog te redden is. Nimmer is mij meer eer ten deel gevallen! Nog mooier zou het zijn indien het vruchtgebruikontwerp van de minister de plaats krijgt die het notariaat ervoor reeds heeft gereserveerd: de rommelzolder.

In de benadering van het ministerie draait alles om de mogelijkheid dat een langstlevende ouder hertrouwt. In 1990 trouwden ongeveer 192.000 mensen. Ongeveer twaalf procent deed dat niet voor de eerste keer èn had kinderen uit een vorig huwelijk. Ik erken dat de wetgever bij de regeling van het wettelijk erfrecht ook rekening moet houden met die twaalf procent voor zover dat in redelijkheid van de wetgever mag worden verwacht. Naarmate de complicering van de regeling daardoor toeneemt, pleit er echter meer voor de creatie van een eenvoudige, heldere regeling waarin de overgrote meerderheid van erflaters en hun nabestaanden zich herkent. De rest maakt dan, zo nodig, maar een testament, bijvoorbeeld om te verhinderen dat opa's zakhorloge in vreemde handen valt.

In het ministerieel ontwerp krijgt geen enkele langstlevende echtgenoot onbeperkte zeggensmacht over de nalatenschap. Door het overlijden ontstaat per definitie een onverdeeldheid. De langstlevende is vruchtgebruiker, de kinderen zijn mede-eigenaar. Waarop het vruchtgebruik precies rust, kan eerst worden vastgesteld nadat de ontbonden huwelijksgemeenschap en/of de nalatenschap is verdeeld. Gebeurt dat niet dan is na verloop van tijd, zeker na hertrouwen, de wanorde compleet. Zuivere toepassing van het vruchtgebruik-systeem leidt noodzakelijk tot rompslomp en kosten voor de erfgenamen. Anders dan Korthals Altes het doet voorkomen, betreft de onverdeeldheid niet alleen enige spulletjes met affectiewaarde maar alle tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen.

Het ontstaan van een onverdeeldheid is in de visie van de ontwerper noodzakelijk om het uitzicht van de kinderen op 'familiestukken', zoals opa's zakhorloge, de familiebijbel en het beeldje van de Heilige Antonius, veilig te stellen. Dat streven is nobel maar helaas moet geconstateerd worden dat het vruchtgebruik-ontwerp geen enkele garantie biedt dat het uitzicht ook nog bestaat nadat de langstlevende ouder is overleden. Zo kan die langstlevende ouder verlangen dat bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap alle daartoe behorende goederen aan haar (of hem) worden toegedeeld. Het vruchtgebruik rust er dan niet meer op en de langstlevende kan ermee doen en laten wat zij (of hij) wil. Van nog meer gewicht is dat de langstlevende ouder alle familiestukken te gelde kan maken. Het is dus bedriegelijk aan boord te komen met het verhaal dat het uitzicht van de kinderen op de familiestukken is veilig gesteld. Dat is alleen zo indien de langstlevende berustte in het vruchtgebruik van de betrokken zaken, deze spullen niet vervreemd heeft en ook de tweede echtgenoot zich soepel opstelt.

Ik zou nog enige sympathie voor de vruchtgebruikregeling kunnen opbrengen indien het onmogelijk zou zijn bedoeld uitzicht op goederen in te bouwen in het veel eenvoudiger systeem, gebaseerd op de praktijk van de ouderlijke boedelverdeling. Die mogelijkheid bestaat echter wel!

In mijn, op de ouderlijke boedelverdeling gebaseerde wetsvoorstel, krijgt de langstlevende echtgenoot/ouder de absolute macht over de nalatenschap. Niks vruchtgebruik, niks onverdeeldheid, niks rompslomp en niks kosten. De kinderen worden niet onterfd maar krijgen een vordering in geld ter grootte van hun erfdeel. Deze wordt opeisbaar door het overlijden van de langstlevende ouder, ook indien deze inmiddels hertrouwd is. Aan deze regeling kan nu worden toegevoegd dat de kinderen kunnen verlangen dat hun vorderingen door de stiefouder worden voldaan door overdracht van uit de familie afkomstige zaken. Aldus wordt materieel hetzelfde resultaat bereikt als de minister voor ogen staat. En dan kan iedereen tevreden zijn.

Helaas doet Korthals Altes het voorkomen alsof het notariaat in deze aangelegenheid vooral het eigen belang dient. Dat is een onsympathieke verdachtmaking. Het feit dat twaalfhonderd notarissen en kandidaat-notarissen zich op 8 april opstelden tegenover het vruchtgebruik-ontwerp komt alleen voort uit de maatschappelijke verantwoordelijkheid die het notariaat in dezen voelt. Ik daag eenieder, in het bijzonder de minister en de leden der Tweede Kamer, uit aan te tonen dat het Nederlandse volk iets anders wil dan het notariaat verwoordt. Het notariaat vormt de enige beroepsgroep die iets zinnig kan vertellen over hetgeen in de maatschappij in erfrechtelijk opzicht leeft.

De basis voor de huidige vruchtgebruikmisère werd gelegd door in 1974 gedane politieke uitspraken. Wie de desbetreffende stukken nog eens naleest wordt geroerd door de misverstanden die er uit blijken. Verwacht mag worden dat de oordeelsvorming na achttien jaar zuiverder zal zijn. Voor prestige-gevechten is de tijd voorbij.

Voor de liefhebbers deel ik ten slotte mee dat het in bovenbedoelde zin Gewijzigd ontwerp-Van Mourik over enkele weken het licht zal zien.