Aanwijzingen voor groeiende interesse in handel met Nederland; "Nederland staat nog steeds goed aangeschreven in Indonesië'

JAKARTA, 23 APRIL. Dat Indonesië de economische hulprelatie met Den Haag heeft verbroken, zet Nederlandse bedrijven op een beslissende achterstand bij het verwerven van Indonesische overheidsopdrachten. Recente signalen uit regeringskringen wijzen echter op een blijvende en zelfs toenemende belangstelling in Indonesië voor handel en joint-venture-overeenkomsten met Nederland. Dat zegt mr. Jochum Haakma, directeur van de Indonesisch-Nederlandse kamer van koophandel in Jakarta, aan de vooravond van het bezoek van een uitgebreide Indonesische handelsmissie aan Nederland.

Gisteren maakte de voorzitter van de Indonesische Raad voor de Coördinatie van Investeringen (BKPM), Sanyoto Sastrowardoyo, de regels bekend die met ingang van 16 april gelden voor buitenlandse investeerders. Voortaan staat Jakarta 100 procent buitenlandse eigendom toe van investeringsprojecten die de 50 miljoen dollar te boven gaan of van kleinere projecten in gebieden buiten Java, die een economische achterstand hebben. Haakma is van mening dat Nederlandse bedrijven gelijke kansen hebben onder dit nieuwe, aanzienlijk liberaler investeringsregime.

Haakma, een voormalige handelsraad verbonden aan de Nederlandse ambassade in Jakarta, is sinds tweeëneenhalf jaar directeur van de Indonesian-Netherlands Association (INA), die de status heeft van bilaterale kamer van koophandel. Bij de INA zijn ruim 250 Indonesische en zo'n 150 Nederlandse bedrijven aangesloten. De stopzetting van de geldstroom van Ontwikkelingssamenwerking door Indonesië betekent volgens Haakma een gevoelige klap voor Nederlandse adviesbureaus en bedrijven die in het verleden kapitaalgoederen hebben geleverd aan Indonesië, afgedekt door zachte leningen van de Nederlandse overheid.

Haakma: “Bij leveranties aan de Indonesische overheid draait het vooral om financieringsconcurrentie. De regering bepaalt dat er niet internationaal hoeft worden ingeschreven als men aanbiedt onder de volgende voorwaarden: 3,5 procent rente, zeven jaar uitstel van aflossing en rentebetaling en een terugbetaling uitgesmeerd over 25 jaar. Dat betekent een schenkingselement van bijna 50 procent. Nederland kan dergelijke zachte leningen niet meer geven wegens stopzetting van de hulp.”

Haakma acht de situatie echter niet geheel hopeloos: “Japan, dat in IGGI-verband jaarlijks zo'n 2 miljard dollar toezegde aan Indonesië, wil zoveel mogelijk opdrachten binnenhalen voor het eigen bedrijfsleven, maar dat ligt politiek gevoelig. De Japanse invloed is hier erg groot en daar is niet iedereen even gelukkig mee. Men zou van Indonesische zijde op bepaalde consultancy-studies best ook een andere vlag willen hebben. Met name op gebieden waar Nederlanders grote expertise hebben, bestaat de kans dat men een graantje kan meepikken. Verder bieden de leningen van multilaterale donoren als de Wereldbank en de Asian Development Bank nog steeds mogelijkheden. Nederlandse bedrijven kunnen op die projecten inschrijven.”

De eerste dag na de hulpweigering heeft coördinerend minister van economische zaken Radius Prawiro gezegd: “Nu we voortaan op voet van gelijkheid met elkaar kunnen omgaan, zullen de economische betrekkingen een nieuwe impuls krijgen.” President Soeharto zelf heeft de laatste weken verschillende malen benadrukt dat het "business as usual' blijft. Is dit een beleefd aangeboden doekje voor het bloeden of zijn dit ernstig te nemen signalen? Haakma: “Aan het besluit lag een flinke dosis ergernis ten grondslag en deze breuk vereist dan ook een helingsproces. Ook al is men op het hoogste niveau voorstander van "business as usual' - en ik neem die signalen heel serieus - dan nog kan ik me voorstellen dat een en ander een tijdje zal nawerken in de lagere ambtelijke echelons. Men kan moeilijk doen, beslissingen ophouden als het gaat om investeringsvergunningen. Toch zijn daar nog geen aanwijzingen voor. De laatste twee weken is een aantal investeringsvergunningen afgegeven aan Nederlandse bedrijven en is er een contract afgesloten tussen Philips en Indosat, het Indonesische staatsbedrijf voor satellietcommunicatie. Het bezoek van minister van handel Arifin Siregar, die maandag in Rotterdam het Indonesian Trade and Distribition Centre (ITDC) opent, is zonder problemen tot stand gekomen. In zijn gevolg reizen veertig Indonesische bedrijven mee. Bovendien kon na de hulpweigering een goodwill-missie van staatssecretaris Van Rooy naar Indonesië uiterst vlot worden gearrangeerd.”

Haakma hecht groot belang aan het feit dat 75 Indonesische bedrijven via het ITDC hun toegang tot de Europese markt kiezen in Rotterdam. Nu al loopt bijna 40 procent van de Indonesische export naar Europa via Nederland. Haakma: “De Indonesische ambassadeur in Brussel heeft onlangs op een groot export-seminar zeer lovende woorden gesproken over de inspanningen en mogelijkheden van Nederland, als investeringspartner van Indonesië, maar met name als ondersteuning van de Indonesische export naar Europa. Dit alles wijst erop dat Nederland nog steeds goed staat aangeschreven in de hogere echelons.”

Gisteren kondigde de voorzitter van de BKPM aan dat met ingang van deze maand 100 procent buitenlandse eigendom van investeringsprojecten mogelijk wordt. Vanwaar deze maatregel? Haakma: “In het kader van het dereguleringsbeleid is het investeringsklimaat in Indonesië de laatste jaren enorm verbeterd, wat heeft geleid tot veel meer aanvragen uit het buitenland. Dat heeft flink bijgedragen aan de export buiten de olie- en gassector; die steeg de laatste twee jaar tot gemiddeld 1,3 miljard dollar per maand. Maar de grote hinderpalen bleven de onzekere rechten op de grond - je kunt hier als buitenlander geen land in eigendom krijgen - en de desinvesteringsregels: na tien of vijftien jaar moest je het merendeel van de aandelen overdragen aan de Indonesische partner. Daar gaat nu iets aan gebeuren. Vorig jaar heeft men leningen uit het buitenland aan banden gelegd om de schuldenlast te verlichten. Daardoor moest men grote projecten, die van belang zijn voor de economische ontwikkeling en 's lands exportpositie, in de ijskast zetten. Tegen die achtergrond is het idee gerezen om een aantal projecten door te laten gaan met 100 procent buitenlandse financiering, zodat de betalingsbalans en de schuldenpositie niet verder onder druk komen te staan.”

Welke branches van het Nederlandse bedrijfsleven acht de INA-directeur de komende jaren kansrijk in Indonesie? Haakma: “Ik zie grote mogelijkheden voor de verwerking van voedselprodukten. Er is hier zoveel dat geconserveerd, verpakt en vermarkt kan worden: vis, bijzondere groenten, allerlei zuidvruchten die tot nu toe niet op de Europese markt voorhanden zijn. Belangrijk wordt de biotechnologie: zo zijn er soorten meloenen waarvan het rijpingsproces langs biotechnologische weg dusdanig kan worden uitgesteld dat ze per koel-container vervoerd kunnen worden. Nederland heeft op dit terrein heel veel specialistische kennis in huis.”

“Voorts kan het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië een belangrijke rol vervullen in het zeevervoer tussen de eilanden, een sector die is vrijgegeven voor buitenlandse investeringen, mits in joint venture, want het personeel zal grotendeels uit Indonesiërs bestaan. Verder valt er, gezien 's lands ambities, nog veel te doen aan de exportinfrastructuur: trucking, verzekeringen, logistiek en telematica. Op dat terrein heeft Indonesië een grote achterstand en het heeft geld over voor betaalde expertise.”

“Ten slotte kunnen wij hier op milieugebied het een en ander doen. Nederland heeft inmiddels heel wat patenten op het terrein van de milieutechnologie en Indonesie begint nu ernst te maken met milieubeleid.

Haakma is al met al niet somber: “De signalen in de eerste weken na de hulpweigering bevestigen dat het de Indonesische regering ernst is als ze zegt dat de commerciele contacten met Nederland er alleen maar op vooruit zullen gaan. Daar zijn ook mogelijkheden voor. Aan bepaalde overheidsprojecten zullen we niet meer mee kunnen doen, maar via Wereldbank en ADB zijn er wellicht nieuwe ingangen. Ik denk dat in de nabije toekomst een grote mate van inventiviteit wordt gevraagd van het Nederlandse bedrijfsleven, dat wel.”