Wandeling (2)

Ik schat dat we halverwege zijn. Waarschijnlijk komen er nog een kilometer of wat bij, gezien de hebbelijkheid van vooral de oudere paaltjes hier om niet te rekenen tot de kern, maar tot de grens van het dorp. Men is met die grenzen ruimhartig.

Ik mag al van geluk spreken als straks zal blijken dat de afstand van negen kilometer die het paaltje aangaf, niet is ontsproten - in de tijd dat de arbeider nog arm en subversief was - aan de gril van een benevelde steenhouwer. Misschien sloeg het getal ooit op een allang overwoekerd binnendoortje voor ezels. Het was een erg antiekerig paaltje.

Voort stap ik, met de dapperheid van iemand die weet dat aan alles een einde komt, ook aan de dapperheid. Af en toe draait Ambrosia haar kop naar me toe. Haar blik staat geheel naar hondemand.

Tijdens de rest van onze wandeling bekijk ik haar argwanend. Is zij Ambrosia wel en niet het duplicaat uit mijn droom? Ik ben er niet gerust op. Ik bemin haar als geen ander vierbenig wezen, maar ik zou haar pas werkelijk weer de beminnelijkste vinden als ik met haar thuiskwam en ze zou onmiddellijk de juiste trap oprennen. Als ik met haar in een hotel zou zijn dat we allebei goed kennen en ze zou zonder aarzelen de liftdeur vinden.

Liefde is niet alleen aanwezigheid, liefde is ook een gedeeld geheugen.

Wie is de dode en wie de levende, als dood en leven in een droom samenvallen?

Nu, men heeft al wandelend de tijd tot bespiegelingen. Vooral als de zon de schedel week maakt en men een dag lang geen sterveling op zijn pad tegenkomt.

Tegen een uur of zeven arriveer ik eindelijk in het dorp waar ik vanmiddag om één uur mijn afspraak had.

Verrijkt met blaren, een zeer hoofd en een halfdooie hond plof ik neer in het enige café. De Drie Parijzenaars heet het, een onduidelijke naam, want er is zolang men zich herinnert maar één baas, en hij is geen Parijzenaar maar een trieste Spanjaard.

Aan de toonbank staan twee zigeuners die zo snel mogelijk drie grote bestellingen taart naar binnen werken. Paco - zo heet de Spanjaard - beziet het met trieste blik.

In een hoek zit een boerenjongen met in zijn nek een wijnvlek of zuigzoen - ik kan het vanaf mijn plek niet goed zien - die zijn best doet op John Travolta te lijken. Paco brengt hem triest een glas bier. Alles wat Paco doet, doet hij triest.

In een andere hoek zit een oude man. Hij draagt een cape over een colbert met Schotse ruit. Zijn broekspijpen raken tot de grond. Paco kijkt er met een schuine, trieste blik naar. De oude man heeft twee witte plukken haar, boven elk oor één. Hij heeft wat weg van Albert Einstein.

Een geschikte omgeving om mijn bespiegelingen over tijd en ruimte zonnesteeksgewijs voort te zetten. Bespiegelingen over de liefde en zulke mooie dingen meer.

Hier verandert men, wandelend in de bergen, ongemerkt van windrichting. Hier is het om elf uur vijf over twaalf. Negen kilometer zijn er hier vijftien. Een kort verschil van mening duurt hier een mensenleeftijd. Als zich hier iemand je trouwste vriend noemt, en het is toevallig geen hond maar een mens, trek er gerust vijf jaar voor uit om te zien of hij alsnog waard is op je verjaardagskalender gezet te worden, en zet hem er geen seconde eerder op, anders blijf je aan het schrappen en gummen. Hier probeert men op John Travolta te lijken als John Travolta al op Doris Day lijkt.

Mijn kop is verhit. Ambrosia, de echte of de onechte, snurkt.

De man van de afspraak verschijnt in de deuropening van het café. Hij trekt een gezicht of hij me eigenlijk zo snel niet verwacht had.