Voorbereidingen op een eventuele correctie

Maandag nam financieel Europa nog een dagje vrij. In Japan en de Verenigde Staten staarden handelaren en beleggers wel naar hun schermen. Met enige angst waarschijnlijk, want de opleving vorige week in Tokio lijkt van korte duur en de Dow Jones opende mede daarom wat lager en sloot op min 30 punten. Gisteren werd het koerspeil zowel in Tokio als in New York met moeite vastgehouden. Ook op Wall Street vraagt men zich af of en zo ja wanneer internationale beleggers hun verlies in Japan zullen compenseren met winstnemingen elders. De beurzen die het nog goed doen trekken zich niets aan van alle twijfels en breken of benaderen records. Wie kan het langst zijn adem inhouden? De baissiers of de haussiers?

Door het aanhoudende optimisme zijn de call-opties op aandelen hoger en de put-opties lager dan onlangs. Sommige puts ogen goedkoop en bieden kans op winst als er een correctie op gang lijkt te komen. Neem de puts op de index van de Optiebeurs die donderdag, de beursdag voor Pasen, sloot op 310,25. De put november, die dit jaar afloopt, met uitoefenprijs 285 sloot op 210 gulden per contract van 100 maal de index.

De koper van de '285' hoopt op een daling van de beurs. Zonder rekening te houden met de tijdswaarde van deze optie, moet de index meer dan 27 punten dalen, tot 282,90, om de put op z'n intrinsieke waarde van 2,10 gulden te brengen. Dat verschil is niet meer dan circa 9 procent over een periode 7 maanden, voor een beurs die bijna op een all time high staat.

Minder dan 9 procent is voldoende om optie op te krikken, als de tijds- of verwachtingswaarde ook wordt meegenomen. Op 14 februari bij voorbeeld sloot de index op 295; 5 procent lager dan donderdag. De '285' sloot op 650 gulden. Je mag toen niet vergelijken met nu, maar als de schrik toeslaat staat de put november 285 snel op winst.

Het voordeel van een index-optie is dat je zo niet zo hoeft na te denken over een bepaald aandeel, maar de beurs als geheel beoordeelt. Toch zijn er beleggers die liever iets doen in opties op één aandeel, omdat ze misschien die stukken bezitten en zo hun bezit willen beschermen.

Neem DSM. Het aandeel doet 106,50 en is een paar dagen geleden bevallen van het slotdividend over 1991. Sinds het begin van dit jaar bewoog het aandeel tussen de 116,60 en 90 gulden. De hoogste koers ooit was 142,50 in het jaar 1989 en de laagste 76,50 in 1990. De huidige koers ligt ongeveer midden tussen de twee uitersten. Over 1991 bedroeg het dividend 8 gulden, net als over de twee voorgaande jaren. Niet direct een aandeel om weg te doen, maar het middellange-termijn koersgemiddelde gaat naar beneden. Dus moet je wat doen. Met meerjarige opties bij voorbeeld.

Schrijf met de aandelen als dekking de call DSM januari 1994 (looptijd nog 21 maanden) met uitoefenprijs 95 gulden voor 1750 onbelaste guldens per optie op 100 aandelen. Daarmee is DSM beschermd tegen 16 procent koersdaling. Tegenover die gratis dekking, de schrijver ontvangt immers geld, staat het verlies dat de schrijver lijdt als de aandelen verkocht moeten worden op 95 gulden, de uitoefenprijs. In werkelijkheid gaan de stukken van de hand voor 95 plus 17,50 (de ontvangen premie voor de geschreven call) is 112,50 gulden. Je geeft koerswinst in de toekomst dus op. Dat is niet direct een bezwaar gezien de langzaam dalende gemiddelde koers.

Beleggers kunnen ook kiezen voor een alternatief. Stel iemand heeft 400 DSM. Hij verkoopt nu 200 stuks en ontvangt iets meer dan 20 duizend gulden. Dat geld gaat op een bankdeposito tegen 8 procent, maar blijft beschikbaar voor de aankoop van DSM tegen een lagere koers. De rente bedraagt 1600 gulden per jaar. Niet belast, omdat het bedrag ligt onder de vrijstelling van 2.000 gulden per jaar voor gehuwden.

Op de aangehouden 200 DSM worden de calls 1994 geschreven. De premie van twee maal 1750 gulden, onbelast, compenseert voor twee jaar het dividend (1600 gulden?), wèl belast, op de verkochte aandelen. Het dividend op de aangehouden 200 stuks valt net onder de fiscale vrijstelling voor gehuwden. Zo zijn de drie bronnen van inkomsten - rente, opties en dividend - alle onbelast.

De strategie kan desgewenst verder worden uitgebouwd met het schrijven van de put januari 1994 met een uitoefenprijs van 95 gulden voor 380 gulden of meer op een beter moment. Daarmee ontstaat een vierde eveneens onbelaste bron van inkomsten, maar tevens de plicht de aandelen eventueel terug te moeten kopen op 95 gulden. Daarvoor is dan het bankdeposito beschikbaar.

Ook op andere meerjarige optie-aandelen kan deze strategie worden toegepast.