Vlucht in de woestijn (2 en slot)

Maandenlang bereidde Arita Baaijens haar tocht met kamelen door de woestijn voor. Maar haar "woestijnkameraad' heeft haar dieren ingepikt. Ze besluit ze te ontvoeren om haar plan te kunnen doorzetten.

“Gelukkig drong het lachwekkende van de hele zaak tot me door, maar daarmee had ik mijn kamelen nog niet terug. In een tijdperk van technische hoogstandjes waren twee mensen aan de rand van de woestijn op zeer primitieve manier bezig elkaar het leven zuur te maken.”

Het eerste deel van dit verhaal verscheen gisteren op de Achterpagina.

Bij de ochtendthee deel ik Carlo mee dat ik nog een paar dagen blijf om van de dieren te genieten en de zaak nog eens grondig door te spreken. Dat geeft mij tijd na te denken over het ontvoeringsplan. Carlo vindt mij op een verdachte manier kalm, maar is tegelijkertijd blij dat ik geen scènes maak. Na drie dagen is het ontvoeringsscenario klaar, maar weer steekt Carlo een spaak in het wiel. Hij komt langzaam bij zijn positieven en verkondigt dat hij toch wel erg raar bezig is geweest. Ik ben eerder teleurgesteld dan blij. Daar gaat de heldinnenrol die ik voor mezelf had weggelegd in mijn zorgvuldig geconstrueerde vluchtdrama.

Op een winderige ochtend verlaat ik met twee volbepakte kamelen Carlo's kamp. De windvlagen worden steeds venijniger en al gauw zie ik bijna niets meer wegens de striemende zandkorrels die mijn gezicht geselen. We koersen af op een 300 meter hoge klif die de oasedepressie begrenst. Bovenop het plateau omspoelen zandduinformaties grillig geërodeerde kalkheuvels. Ik wil er lange tijd rondzwerven om deze ongetemde natuur te fotograferen. Tevergeefs zoek ik naar een weg omhoog. Na twee moeizame pogingen lukt het ons de derde maal wel om boven te komen. De wind giert door de sleuven van de gehavende kalkwand als we over een zandbaan langzaam omhoog kruipen. Het is geen pretje met dit weer op stap te zijn. De camera durf ik niet uit de koffer te halen. Dagenlang wacht ik bij een schitterend fotomotief, de goden van de wind smekend even rust te nemen. In de tussentijd probeer ik te schrijven. Maar de kou en het rondvliegende zand lijken alle inspiratie te verdrijven. De kamelen rillen en vervelen zich. Ik deel hun lot. Op oudejaarsdag ben ik niet in feeststemming. Met een maillot aan, daaroverheen een skibroek, twee paar sokken, een T-shirt, sweater, donsjack, hoofddoek, muts en twee sjaals om mijn nek zit ik boven op een zandduin mijn lot te overdenken. Veel langer kan ik niet op dit plateau blijven als het zo blijft stormen. 's Avonds troost ik me met een chocoladeletter en een dopje rum. Oudjaar, einde van het kalenderjaar. Een volkomen onbelangrijk gegeven in deze ruige wildernis waar alleen miljoenen jaren enig gewicht in de schaal leggen. Toch haal ik een paar vuurpijlen te voorschijn. In het pikkedonker kruip ik uit mijn slaapzak. Orion komt net kijken als ik mijn pijlen de lucht inschiet. Verbaasde kamelekoppen lichten kort op. Gekleurde vonken dwarrelen naar beneden. Met een feestelijk gevoel zoek ik mijn warme slaapzak weer op. Getooid met sterren zitten Mabrouka en Gatifa dicht bij me om in de luwte van het muurtje tassen nog enige beschutting te vinden.

's Ochtends ligt Mabrouka met haar kop op mijn benen. De zon laat het afweten. Donkergrijze, bijna zwarte wolken vol regen vullen het hemeldak. Ik besluit zo snel mogelijk te vertrekken naar een verderop gelegen canyon waar ik misschien beschutting vind bij ruïnes die op de kaart met stipjes staan aangegeven. Eenmaal op weg komt de spirit weer terug. Af en toe volg ik flarden van een oude karavaanweg die ons uiteindelijk bij de kloofrand brengt. Daar, in een van de uitgesleten windkanalen, heb ik even de sensatie als een biddende roofvogel in de lucht te hangen. Ver beneden me golven zandduinen als blonde haarslierten in water. Bruine langwerpige bergen van koekdeeg liggen dwars over de bodem van de kloof. Het vale licht verleent het schouwspel een onwerkelijke glans. We dalen af. Nog twee uur en dan zijn we bij de ruïnes. Maar na vijf uur non-stop door het zand en tegen de wind in ploeteren geef ik scheldend op alles en iedereen de hoop op dat we er vandaag nog komen. Donkere wolken jagen onheilspellend over ons heen. De wind buldert door de smalle sleuven in de klifwand. De natuur is woedend. Het wolkendek scheurt even open om een smalle bundel zonnestralen door te laten. Een paar seconden lang licht een sprookjeskasteel in de verte op. De ruïnes!! Vlakbij het kasteel ligt een verlaten dorp. Een huisje van leem, zonder dak, is voor een paar dagen van mij.

De nederzetting waar ik onderdak gevonden heb stamt uit de Romeinse tijd. De Romeinen waren degenen die in de drie eeuwen na Christus de Kharga-depressie tot welvaart brachten. Overal boorden ze diepe bronnen in het waterhoudende zandsteen. Langs belangrijke handelswegen bouwden ze robuuste forten om de langstrekkende karavanen te beschermen. Op mijn speurtocht door het dorp, langs het kanaal en over de verlaten akkervelden stuit ik op een omvangrijk ondergronds waterkanaalsysteem. Regenwater dat vanaf het hoger gelegen plateau naar beneden stroomde en de poriën van het eronder gelegen zandsteen vulde, werd op deze manier afgetapt.

Terwijl ik een van de uitgehakte kanalen bovengronds naar de klifwand volg, valt mijn oog op donkere vierkante gaten in een naburige zandsteenheuvel. Een weeë geur verspreidt zich als ik naar boven klauter. Al gauw loop ik temidden van doodskoppen, botten, linnen windsels, resten van beschilderde houten sarcofagen en honderden potscherven. De Romeinse grafheuvel is behoorlijk toegetakeld door rovers. Op zoek naar sieraden en andere kostbaarheden die vaak aan de doden werden meegegeven heeft men de graven vernield en de mummies uit hun windsels gerukt. Een paar goed geconserveerde kinderlijkjes liggen als poppen in het rond gestrooid. Een van de hoofdjes is bedekt met resten goudverf.

Een beetje overdonderd door alles wat ik gezien heb trek ik na een paar dagen verder. Overal op mijn pad lijkt de woestijn bereid iets van haar geheimen prijs te geven: lang geleden verlaten mijnen met restanten van huizen, oude karavaanwegen waar op sommige plekken bergen kapotte amforen liggen, in de rotsen gekraste tekeningen van mensen en dieren, oude nederzettingen. Als ik met een inmiddels hoogzwangere Mabrouka bij de weide aankom waar Carlo met de andere kamelen verblijft, heb ik veel te vertellen. Ondanks de slechte start kunnen we het nu goed met elkaar vinden.

Terwijl we met spanning de zwangere dames in de gaten houden schrijft Carlo aan zijn boek en ik aan het mijne. Op een dag, de dertiende februari, vind ik Mabrouka niet meer bij de andere kamelen. Als ik haar ga zoeken zie ik ergens een wiebelig grijs kopje boven het gras uitsteken. Met tranen in de ogen kijk ik naar het wezentje dat ik zo vaak in Mabrouka's buik heb voelen trappelen. Carlo!! Samen dragen we het beestje dat wel meters poten lijkt te hebben naar ons kamp. Pas na een dag kan Muskaat staan. Dan sabbelt hij niet alleen aan de uier van zijn moeder, maar ook aan mijn oren en kin.

Zijn moeder bewaakt hem met een jaloerse blik, maar is nog vriendelijk vergeleken bij Sahara die tien dagen later staande de kleine Hassan baart. Ik heb haar geholpen door de kleine zachtjes aan zijn pootjes naar buiten te trekken. Met een plof kwam hij in mijn armen op de wereld. Tien minuten na de geboorte is Sahara al niet meer te benaderen. Als ik naar haar of de kleine toe loop, komt ze met verbeten lippen op me afgestormd. Klaar om te bijten en te trappen. Dat komt niet goed uit want over een paar dagen moet de kleine Hassan in de strotas gestopt worden. Dan breng ik de kamelen door 250 km woestijn naar de Dakla-oase waar ze bij een boer overzomeren.

Hassan en Muskaat moeten gedeeltelijk per tas vervoerd worden, omdat hun kleine pootjes hen niet zover kunnen dragen. En Sahara zal moeten accepteren dat ik aan haar baby kom. Ik probeer haar te benaderen. Als een bokser cirkel ik om de grommende moeder heen. Maar haar dreigende houding en klapperende kaken boezemen me angst in. Het enige dat ik kan doen is bliksemsnel handelen. Ik schiet op haar af en grijp in een flits haar hoofdtouw. Maar hoe krijg ik zo de tegenstribbelende babykameel in de tas? Met tegenzin moet ik bekennen dat ik de reis met vier volwassen kamelen, twee kleintjes en een baby op komst niet in mijn eentje kan maken zoals ik van plan was. In plaats van naar Duitsland te vertrekken gaat Carlo nu met me mee naar Dakla.

Twee dagen later zet de hele stoet zich in beweging. Een waanzinnige reis die de dan twee weken oude Muskaat uiteindelijk op eigen kracht uitloopt en Hassan op een paar uur na ook. Arabella werpt haar kind Ashan keurig bij de enige bron die we onderweg tegenkomen. Doorslapen 's nachts is er niet meer bij. De kleintjes voeren dan hele gevechten met hun moeder om hen op te laten staan, zodat ze melk kunnen drinken. Als ma blijft zitten komen ze balorig bij mij langs, gooien daarbij van alles om en struikelen ook nog eens over mijn slaapzak.

Het blijft koud en daarom redden we het zonder al te veel problemen. Veertien dagen nadat we uit Kharga vertrokken, komen we tijdens een vliegende storm in Dakla aan bij het huis van Abdel Hamid. Hij verzorgt de kamelen gedurende de hete zomermaanden. Als ik mijn laatste fotorolletje opmaak voordat ik met de bus naar Kairo vertrek, knabbelen Hassan en Ashan aan mijn oren. Ik zal ze missen, deze wildebrassen. Als ik over zes maanden terugkom, zijn het al weer hele knapen geworden.

Foto: Sahara, met de pasgeboren Hassan (Foto Arita Baaijens)