Ministerie informeerde Baker niet over Iraks atoomwapen

ROTTERDAM, 22 APRIL. Niet alleen de Amerikaanse inlichtingendienst CIA maar ook het ministerie van energie in Washington beschikte in 1989 over aanwijzingen dat Irak bezig was een atoomwapen te ontwikkelen. Maar hoge ambtenaren weigerden de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken James Baker te informeren.

Actie tegen Irak was toen niet opportuun, omdat de Iraakse leider Saddam Hussein nog steeds een goed tegenwicht bood tegen het fundamentalistische Iran van Ayatollah Khomeiny, dat dreigde het machtsevenwicht in het Midden-Oosten te verstoren, hoewel de achtjarige oorlog tussen Irak en Iran intussen was beëindigd. Dit blijkt uit een uitgebreid onderzoek, verricht door een commissie van het Amerikaanse Congres waarover de New York Times en de International Herald Tribune de afgelopen dagen hebben bericht.

Pas toen Saddam Hussein begin augustus 1990 met geweld bezit nam van Koeweit, kwamen de Amerikanen in actie. Maar ze wisten in april 1989 al dat Irak bezig was op grote schaal in Europa onderdelen te kopen om centrifuges te bouwen voor de verrijking van uranium. Die centrifuges waren gebaseerd op ontwerpen van Urenco, het Nederlands-Brits-Duitse samenwerkingsverband.

Functionarissen van het ministerie van energie probeerden in 1989 deze kwestie onder de aandacht te brengen van minister van buitenlandse zaken James Baker maar werden gedwarsboomd door hun superieuren. De ambtenaren op het departement van energie namen vooral de aankopen van centrifuge-onderdelen hoog op, omdat ze wisten dat Irak daarmee in staat zou zijn hoog verrijkt uranium te produceren, dat als splijtstof voor een atoomwapen kan dienen.

Een inspectieteam van het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) in Wenen stelde in september vorig jaar in Irak vast dat het land sinds 1981 bezig was een geheim atoomprogramma genaamd PC-3 te ontwikkelen. Tijdens de Golfoorlog was het atoomcomplex in Al-Atheer bij Bagdad onbeschadigd gebleven. Toen werd duidelijk dat Saddam Hussein binnen enkele jaren over een atoomwapen had kunnen beschikken.

Irak was al sinds 1969 partij bij het Non Proliferatie Verdrag (verdrag tegen de verspreiding van kernwapens), maar hield het PC-3 project zorgvuldig buiten de inspecties en overtrad daarmee alle regels van het verdrag. Intussen is een groot deel van het PC-3 project in Al-Atheer bij Bagdad onder toezicht van inspectieteams van de Verenigde Naties vernietigd en onklaar gemaakt.

In oktober zei David Kay, een van de inspecteurs van het IAEA, in een interview met deze krant dat de CIA het agentschap jarenlang stelselmatig onkundig heeft gelaten van haar kennis over het Iraakse atoomprogramma. Daardoor moest het IAEA zich bij de geregelde inspecties in Irak beperken tot enkele onderzoeksreactoren. “Een zeer frustrerende ervaring”, aldus Kay. Sindsdien heeft het IAEA er sterk bij de Amerikaanse regering op aangedrongen van meet af aan door de CIA te worden geïnformeerd.

Een woordvoerder van het IAEA zei vanochtend dat de Amerikanen dat nog steeds weigeren. “Wij hebben daar wel enig begrip voor, het is een probleem, want het gaat vaak om zeer gevoelige informatie en wij zijn een VN-organisatie waarvan ook landen als Cuba en andere, nu nog communistische landen deel uitmaken.” Volgens de woordvoerder is het onderzoek dat door de drie Urenco-partners Nederland, Groot-Brittannië en Duitsland wordt verricht naar de herkomst van centrifuge-onderdelen die in Irak werden aangetroffen, nog steeds niet afgerond.