Introdans te veel in de ban van "camp'

Gezelschap: Introdans. Produktie: The Dream King. Libretto, toneelbeeld, muziekcollage en regie: Hans Focking en Ton Wiggers; choreografie: Ton Wiggers; kostuums: Pamela Homoet; licht: Berry Claassen en Nico van der Krogt. Gezien: 17/4 Schouwburg Odeon Zwolle. Verder te zien 22/4 Meppel, 24/4 Emmen, 25/4 Lochem, 29/4 Hartenberg, 1/5 Cuyk, 2/5 Haarlem, 5/5 Leiden, 7/5 Wageningen, 8/5 Zutphen, 11, 13 en 18/5 Nijmegen, 14/5 Enschede en 15/5 Terneuzen.

Ton Wiggers en Hans Focking, respectievelijk de artistiek en zakelijk leider van Introdans, zijn sinds de jaren zestig gefascineerd door het verschijnsel dat in Engelssprekende landen met "camp' wordt aangeduid. Het woord typeert situaties en personen die zich onderscheiden door excentriciteit en de hilariteit en opschudding die zij veroorzaken. De theaterwereld kent er vele voorbeelden van, zoals Dame Edna, Boy George, Margreet Dolman of de mannelijke ballerinagroep Les Ballets Trockadero de Monte Carlo.

De fascinatie van het Introdans-team voor dit fenomeen uitte zich in enkele produkties waarvan die over het bizarre leven van koning Ludwig II van Beieren vijf jaar geleden onder de titel The Dream King in de intimiteit van het eigen studiotheater een serie voorstellingen beleefde.

Nu is een ietwat herziene versie daarvan in dertien kleinere theaters te zien. In zestien scènes waarin de gehele groep in verschillende rollen optreedt, wordt een overzicht gegeven van de belevenissen en dromen van deze extragavante, verspillende, seksueel gefrustreerde en later krankzinnig verklaarde Ludwig. Dat gebeurt in een vorm waarin het grote theatrale gebaar en de bijzonder fraaie, naar decadentie neigende kostumering centraal staan en de dans een uiterst bescheiden plaats inneemt.

Dat de heren de belangrijkste vrouwenrollen voor hun rekening nemen en mannelijk bloot niet geschuwd wordt, is gezien de camp-traditie nauwelijks te verwonderen en in zekere zin zelfs voorspelbaar. Daar is ook niets op tegen. Toch overviel mij tijdens de voorstelling regelmatig het gevoel van 'moet dat nou' en "moet dat nu zo'. Enerzijds is er zeker een raffinement en subtiliteit in al die groteske en met pathetiek overladen fragmenten te vinden.

Anderzijds is de benadering vaak zo banaal en worden de situaties zo oppervlakkig uitgewerkt, dat de ware tragiek en het wezenlijk bijtend cynisme niet aan bod komen. Vooral de groepsscènes missen compositorisch en dramaturgisch kracht en inventiviteit.

Roel Voorintholt als Ludwig II ziet er prachtig uit. Zo ook Elizabeth van Veenendaal als prinses Sophie (de opgedrongen verloofde van Ludwig). Maar als menselijke wezens blijven zij toch veel te veel in uiterlijkheden steken. Dat geldt eigenlijk voor alle rollen. Al weet Jens van Daelen bekwaam de essentie van de vileine Mayr te treffen en zette Mirjam Dietrich een imponerende kardinaal neer.

In de enkele fragmenten waarin een beroep wordt gedaan op danskunstige bekwaamheden, zoals in een mannensolo aan het hof van Lodewijk XIV, schiet de precisie in uitvoering tekort om ze belangwekkend te maken. Het is jammer dat de makers er niet in geslaagd zijn de verhalende aspecten een dusdanige danskunstige vorm te geven dat er een waar dansdrama is ontstaan. De verhalende dans die toch al zo lang onderbelicht en onderschat is en waarvoor een aantal dansers van Introdans de absolute talenten beschikt, heeft nieuwe impulsen immers broodnodig.