Het economisch voorjaar blijft koeltjes

Sommige regeringsgezinde kranteneigenaren bleken bereid om, vóór de verkiezingen van 9 april, het vooruitzicht op economisch herstel persoonlijk tot stand te brengen. Dag-in-dag-uit tracteerde de Daily Mail zijn lezers op de green shoots of recovery die ze meende te ontwaren. De implicatie daarvan was dat Labour, als het zou winnen, dat tere jonge leven meteen om zeep zou brengen: sterlingcrisis, verhoging van de bankrente, melt down van huizenprijzen en daar bovenop hogere belastingen en hogere overheidsuitgaven.

De ruzie over de vraag of de Tory-gezinde pers door dit soort griezelverhalen de Conservatieven naar een vierde verkiezingsoverwinning heeft geschreven, zoals Neil Kinnock heeft gesuggereerd, duurt nog voort. Zeker is dat angst voor nog grotere en langere economische benauwenis een beslissend aantal weifelaars ertoe gebracht heeft toch maar niet op Labour te stemmen. Zelfs al suggereerde uitgerekend de Financial Times op de ochtend van 9 april dat Labour het wèl en de Conservatieven het niet verdienden de verkiezingen te winnen.

Op 10 april werden de Britten dus wakker in de wetenschap dat ze voor de komende vijf jaar op safe hadden gespeeld. Ze hebben een partij regeringsmacht gegeven die overheidsuitgaven uit de hand heeft laten lopen, die wurgend hoge rentestanden handhaaft en die een herstel uit recessie belooft dat zo langzaam vordert dat er nauwelijks verschil te merken is met die recessie zelf. De mogelijkheid dat die regering niet uitkomt met de staatskas (nu al met een geraamd tekort van 4,5 procent van het BNP over 1993/94) en tussentijds de begroting moet aanpassen, is reëel.

Desondanks: de markten waren eufoor over de verkiezingsuitslag en in de City werd gefeest tot een IRA-bom 's avonds laat de feestvreugde en het gebouw van de Baltic Exchange verbrijzelde. Terug in de realiteit van veertien dagen na de verkiezingen staat het pond sterling nog steeds rond 2,92 D-mark (in plaats van 2,86 op de verkiezingsdag) en de FTSE-index blijft stijgen.

Hoe zit het dus met de groene puntjes van herstel, die een begin van een economisch voorjaar zouden moeten inluiden? Minister Lamont, ook na de herschikking van John Major's kabinet nog steeds van Financiën, heeft tot nu toe geen kik gegeven. Hij kijkt wel uit, sinds hij de economische opleving een jaar te vroeg voorspelde. (De gehoorzame Daily Mail toen in vette koppen: Now post-war boom begins). Sindsdien worden hij en zijn collega's op de Treasury niet langer geloofd als ze optimistische mededelingen doen. Desondanks: er lijkt enig licht na langdurige duisternis.

Lijkt - want de aanwijzingen zijn dun. Dat de Conservatieve overwinning de Britse consument meer zelfvertrouwen heeft gegeven zou moeten blijken uit een opleving van de huizenmarkt en de autoverkoop. Makelaars en autofabrikanten signaleren beiden “toegenomen interesse” - meer niet. Hypotheekbanken en andere kredietverlenende instellingen zeggen hetzelfde: harde cijfers ontbreken.

Hoop op herstel blijkt alleen uit de laatste gegevens over industriële produktie en een daling in de stijging van de werkloosheid. Industriële produktie steeg in februari met 1,1 procent vergeleken met 1991. De laatste werkloosheidscijfers toonden de kleinste maandelijkse toename sinds twee jaar. En hoewel de auto's niet verkocht worden: de autoproduktie in maart was de hoogste sinds maart 1990 en de aflevering van bedrijfsauto's de hoogste in twee jaar. Topmanagers van bedrijven, zo meldde The Sunday Times vorige week, zijn bovendien “vrolijker dan we ze in maanden gezien hebben”.

Iedereen is het er intussen over eens dat herstel vooral wordt geremd door de hoge bankrente: 10,5 procent. Aangenomen mag worden dat minister Lamont popelt om die te verlagen, als het kan vóór de lokale verkiezingen van 7 mei, maar de afhankelijkheid van het economisch dominante Duitsland binnen het Europees systeem van vaste wisselkoersen (EMS) maakt dat vrijwel onmogelijk. De markten mogen dan eufoor zijn en het pond na de overwinning van Major omhoog hebben gestuwd van zijn nederige positie onderaan de maximaal toegestane waarde, Lamont moet er rekening mee houden dat renteverlaging tot herbezinning bij investeerders leidt.

Het is interessant om te zien dat (een deel van) de Tory-pers in dit dilemma komt aandragen met de oplossing die vóór de verkiezingen werd gehanteerd als bewijs van Labour's economische onbetrouwbaarheid. De regeringsgezinde The Daily Telegraph schaarde zich op 15 april onopvallend achter een standpunt dat de Labour-gezinde The Guardian al langer propageert, door in een hoofdartikel te constateren dat de Britten in oktober 1990 het verkeerde moment hadden gekozen om toe te treden tot het EMS “en het pond aan de D-mark te koppelen”. Het pond sterling, met een tegenwaarde (plus of minus 6 procent) van 2,95 D-mark, is daardoor overgewaardeerd en “òf Duitsland moet opwaarderen om de rest van ons ademtocht te verschaffen òf de Britten, Fransen en Italianen zouden gezamenlijk moeten herwaarderen in neerwaartse richting”.

Dat pleidooi wordt nu van meer kanten gevoerd: de achtenswaardige Cambridge Economic Policy Group zegt dat uitstel van devaluatie zal leiden tot een herhaling van Churchills uiteindelijk onsuccesvolle terugkeer naar de Goud Standaard in 1925 of van de devaluatie van de jaren '60, die Harold Wilson aanvankelijk alleen maar een paar jaar uitstelde - met verregaande, negatieve, economische en politieke gevolgen.