Haags surrealisme

HET JAAR 1992 is nog geen vier maanden oud, Prinsjesdag is nog vijf maanden weg, en voordat het 1993 is zijn er nog ruim acht maanden te gaan.

Maar in Den Haag houden ministers zich nu al weken achtereen bezig met de vraag hoe de inkomensontwikkeling er volgend jaar uit moet zien. De memo's, brieven en notities met varianten vliegen over en weer. En het Torentje van minister-president Lubbers wordt al gekscherend aangeduid als "het postkantoor'. Vanavond zal het kabinet opnieuw een poging ondernemen om “er uit te komen”, maar alle betrokken ambtenaren is reeds te verstaan gegeven dat het wel nachtwerk zal worden.

Het kan geen kwaad om er nog eens bij stil te staan waar het allemaal over gaat: de kaderbrief voor het jaar 1993. Een van oorsprong technische exercitie van de minister van financiën waarin ten behoeve van de departementen de contouren voor de begroting van het komend jaar worden geschetst. Met dat gegeven kunnen de boekhoudafdelingen van de diverse departementen zich vervolgens zetten aan de voorbereiding van de begrotingsbesprekingen die de ministers traditiegetrouw in de zomer voeren. Tot voor kort was het een redelijk vast patroon: in juli werd de uitgavenkant van de begroting vastgesteld, in augustus, wanneer het kabinet kon beschikken over de meest recente cijfers van het Centraal Planbureau, de inkomstenkant.

VAN DIT overzichtelijke schema is het kabinet Lubbers-Kok rigoureus afgestapt. In feite bevindt het kabinet zich sinds zijn aantreden eind 1989 in permanente staat van begrotingsoverleg. In het regeerakkoord werd een paasbrief aangekondigd met definitieve cijfers, toen het Pasen was werd de tussenbalans in het vooruitzicht gesteld (de Tuba), en toen die er eindelijk was, duurde het niet lang of er werd al weer gesproken over de Tuba-plus. Het beraad over de kaderbrief voor 1993 is door enkele ministers dankbaar aangegrepen om de conclusies van de tussenbalans ter discussie te stellen, terwijl anderen het beschouwen als een generale repetitie voor de begrotingsbesprekingen die deze zomer nog moeten worden gevoerd.

Wat zich op dit moment afspeelt in de ministerraad is een surrealistische vertoning. Terwijl buiten op het Binnenhof het gewone leven verder gaat, buigen binnen in de Trêveszaal dertien ministers zich over de jongste variant die een collega-minister de avond er voor thuis op zijn personal computer heeft bedacht. Besprekingen bedoeld om de uitgavenkaders vast te stellen, zijn ontaard in een complete begrotingsveldslag. Dat tussen nu en augustus elementaire macro-economische kerngegevens zoals inflatie, loonontwikkeling en werkloosheid kunnen veranderen, sterker nog, altijd veranderen, doet even niet ter zake. Als de sommen op papier maar kloppen, is de ministerraad bereid daar weken over te vergaderen.

NU AL STAAT vast dat het kabinet - als men er tenminste uitkomt - een flink deel van de besprekingen die nu worden gevoerd deze zomer kan overdoen, omdat dan zal blijken dat de omstandigheden zijn veranderd. En dan kan het energievretende variantencircus met alle ruis er omheen weer van voren af aan beginnen.

Bestuurd wordt er nauwelijks, gestreden des te meer. De gang van zaken in het kabinet is een demonstratie van puur onderling wantrouwen.