Choreografieën kabbelen door zonder voelbare noodzaak; Matheid bedreigt Elisa Monte

Gezelschap: Elisa Monte Dance Company met Split Personality, Last Temptation, Between Going and Staying, Absolute Rule en Dreamtime. Choreografie: Elisa Monte; muziek resp. Jon Hassell, Laszlo Melis, Peter Zagar, Martin Burlas en David van Tieghem. Gezien: 21/4 AT&T Danstheater, Den Haag. Verder nog te zien: 23/4 Breda, 24 en 25/4 Rotterdam, 27/4 Antwerpen, 28/4 Nijmegen, 29/4 Tilburg.

Het gezelschap van de Amerikaanse Elisa Monte is sinds het enthousiast ontvangen eerste optreden in het Springdance Festival in 1985 met enige regelmaat naar Nederland teruggekeerd. Door de aanstekelijke dansdrift, de kunde en de boeiende bewegingstaal die het toonde, wist het dan steeds het publiek mee te voeren.

Waar eerst die elementen nog verrassend en nieuw waren, veranderde de appreciatie later meer in een blij herkennen en opnieuw genieten. In de laatste nieuwe grote produktie The World Upside Down, die in het Muziektheater in Amsterdam in 1990 zijn wereldpremière beleefde, kwamen wat twijfels naar voren. Niet over de kwaliteit van de dansers, die stond nog steeds buiten kijf, wel over de choreografie die minder uitgebalanceerd en strak gestructureerd overkwam.

Het programma dat het gezelschap nu tijdens een korte tournee door Nederland presenteert en waarin drie recente werken van Elisa Monte zijn opgenomen, heeft die twijfels vergroot. In Split Personality (1989), Last Temptation (1991), Between going and staying (1992) en het duet Absolute Rule (1992) is een routineuze trend waarneembaar. De ware inspiratie lijkt afwezig en het eens zo verfrissende bewegingsmateriaal lijkt bijna tot een te veel gebruikt cliché geworden.

Dat ligt voornamelijk aan de compositorische opzet die nu vooral bedacht en plichtmatig overkomt. Eenzelfde bewegingsfrase wordt op verschillende manieren in de ruimte gezet door een wisselend aantal dansers, dat die bewegingsfrase dan in een canonvorm uitvoert. Dat gebeurt wel vaker in choreografieën, maar hier ontbreekt de spanning in gebruikte patronen. Hoe fraai die bewegingen ook zijn en hoe goed ze ook worden gedanst, zij kabbelen maar door zonder dat de noodzaak voelbaar wordt.

De gebruikte muziek, hoewel van verschillende componisten, lijkt ook al uit een en dezelfde pot te komen. De ongetwijfeld als sfeervol bedoelde belichting maakt dat je vaak met moeite kunt zien wat er gebeurt. Het oudste werk, Dreamtime uit 1986 dat de voorstelling afsloot, kwam het sterkste uit de bus. Daar waren weer even de vitaliteit en kracht die zo kenmerkend voor Monte waren.

Het is goed en nodig dat een dansmaker andere wegen tracht in te slaan en naar vernieuwing in zichzelf zoekt. Dat hoeft niet altijd direct tot een succesvol resultaat te leiden. Ook mislukkingen kunnen interessant zijn en prikkelend werken. Matheid is gevaarlijker en die indruk liet deze voorstelling nu juist achter, ook al was de solo, uitgevoerd door Peter Roël in Last Temptation, een klein juweeltje.