Zon

In de namiddag: een figuur op een vergeten rioolbuis, benen opgetrokken, ellebogen op de knieën, ogen toegeknepen. Dat ben ik.

Ik denk aan de grutto's, die her en der in het weiland zitten te broeden. Ik denk: ze zullen het wel naar hun zin hebben. Ze zullen, na al die regen, al die kou, wel blij zijn met de zon, die koesterende warmte, die glinstering van groeiend gras, dat blauw in de boog van de hemel (als je de hele dag zo dicht bij de grond zit, krijg je een heleboel hemel te zien).

Ze zullen wel het gevoel hebben dat dit het ware leven is, die grutto's. Ik denk niet dat ze zich al zorgen maken over maaiende boeren. Toch, elk uurtje zon, elk graadje warmte, elke centimeter gras brengt het maaien dichterbij. En hoe eerder het maaien, hoe kleiner de kansen voor de kuikens.

Ik denk dat grutto's weinig vooruitzien. Dat hun besef van toekomst onder hun borst ligt, volledig besloten in die vier puntige, camouflagegroene eieren. Dat in hun wereld een ramp pas een ramp is als hij gebeurt. Dat je in dit verband van een levenshouding zou kunnen spreken, en als je bedenkt hoeveel rampen worden veroorzaakt om rampen te voorkomen, niet eens zo'n gekke.

(Het eerste maaien gezien op Eerste Paasdag, ergens tussen Kockengen en Nieuwer ter Aa, om halfnegen 's morgens).