Zandkorrels van Zalm

Getuige de slopende onderhandelingen over de rijksbegroting voor het volgend jaar zucht het kabinet zwaar onder het Juk van Maastricht. De lidstaten van de Europese Gemeenschap hebben in de Limburgse hoofdstad vijf voorwaarden afgesproken waaraan lidstaten in beginsel moeten voldoen om straks na 1996 te kunnen toetreden tot fase drie van de Economische en Monetaire Unie. Een belangrijke voorwaarde betreft de schuld van de collectieve sector. De gezamenlijke schuld van het rijk, de lagere overheden en de organisaties die de sociale verzekeringen uitvoeren mag bij toetreding tot de Unie niet hoger zijn dan zestig procent van het bruto binnenlands produkt (BBP).

Alleen de staatsschuld van het rijk (345 miljard gulden, oftewel 64 procent van het BBP) ligt echter al boven de in Maastricht geformuleerde norm. Wordt tevens rekening gehouden met de schulden van gemeenten, provincies en waterschappen, dan bedraagt de schuld van de totale overheid thans 430 miljard gulden, wat overeenkomt met ongeveer tachtig procent van het BBP.

Jaarlijks stijgt de staatsschuld met het bedrag van het financieringstekort. Wil de staatsschuldquote (schuld/BBP) zakken, dan moet het tekort van het rijk omlaag, tenzij het bruto produkt door extra inflatie wordt opgeblazen. Hogere inflatie wil niemand, dus is een verdere verlaging van het financieringstekort geboden. Vandaar het krachtige verzet van de minister van financien tegen de lichtzinnige suggestie van premier Lubbers om het met de tekortreductie eventjes wat rustiger aan te doen, zodat er ruimte zou ontstaan voor enige lastenverlichting in 1993.

Blijkens een vooruitberekening in het Centraal Economisch Plan 1992 zal de schuldquote zonder bijzondere ingrepen op zijn vroegst in het eerste decennium van de volgende eeuw beneden de normwaarde van zestig procent BBP kunnen dalen. Het lijkt echter mogelijk de norm eerder te halen. Tegenover de schuld van de overheid staan namelijk bezittingen, in de vorm van onroerend goed, door de overheid verstrekte leningen en deelnemingen in bedrijven. Om de staatsschuld te verkleinen kan de rijksoverheid overwegen een deel van het staatsbezit af te stoten. Dat is louter een kwestie van "balansverkorting': bezittingen en schulden worden tegen elkaar weggestreept.

Het Centraal Planbureau noemt als mogelijkheden onder andere de verkoop van deelnemingen in bedrijven en het vervreemden van landbouwgronden. De financiele positie van de overheid blijft bij zulke transacties onveranderd, maar de contante opbrengst van een toekomstige stroom revenuen (dividenden, pachtgelden) komt wel dadelijk beschikbaar om een deel van de staatsschuld versneld af te lossen. Zo kan ons land sneller voldoen aan de Europese schuldnorm.

De directeur van het Planbureau professor Zalm lijkt van deze aanpak geen voorstander te zijn. Hij noemt als extreem voorbeeld dat het rijk een deel van de staatsschuld ruilt tegen zandkorrels, die het vervolgens huurt van de vroegere obligatiehouders. De laatsten zijn tot deze transactie bereid, indien de huurvergoeding voor de zandkorrels opweegt tegen de hoofdsom en rente die zij derven door hun portefeuille met staatsschuld op te geven. Zo verstuift een deel van de staatsschuld als zand in de woestijnwind, terwijl de rijksbegroting jaar-in, jaar-uit wordt bezwaard met hoge huurlasten. Dit als waarschuwing bedoelde voorbeeld is onjuist, omdat er geen bezit aan zandkorrels op de staatsbalans prijkt. Er is daarentegen geen enkel bezwaar om posten die nu al op de linker- en de rechterzijde van de staatsbalans staan, simpel tegen elkaar weg te strepen.

In de laatste aflevering van het economenweekblad ESB klaagt collega Van der Dussen echter dat de staatsbalans geen goed beeld geeft van bezit en schulden van de staat. Een versluierde staatsschuld ter grootte van mogelijk zestig miljard gulden zou buiten de boeken blijven. Van der Dussen verzuimt echter melding te maken van een omvangrijk versluierd staatsbezit in de vorm van claims die de vaderlandse fiscus jegens belastingbetalers heeft opgebouwd. De voornaamste post houdt verband met de fiscale begeleiding van het pensioensparen. Wat Nederlanders via het pensioenfonds opzij zetten voor hun oude dag, is aftrekbaar. De aangroei van hun pensioenpot blijft voorlopig onbelast. Later worden de uitkeringen belast. Alleen deze claim van de fiscus, die niet is opgenomen op de staatsbalans, is al tientallen miljarden guldens waard.

Voorts is van belang dat van de EG-lidstaten uitsluitend Nederland min of meer voldoende reserveert ter dekking van pensioenaanspraken die ambtenaren tijdens hun loopbaan opbouwen. Bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en het PGGM is daartoe een spaarpot van 200 miljard gulden gevormd.

Andere EG-landen zouden voor vergelijkbare verplichtingen een voorziening op hun staatsbalans moeten treffen. Daar hangt de overheid immers een groot bedrag aan in de toekomst uit belastingen te betalen pensioenverplichtingen boven het hoofd, die in Nederland al via besparingen zijn afgedekt. Anders gezegd, om deze reden mag onze schuldquote hoger zijn dan die in andere lidstaten van de EG.

Het afstoten van staatsvermogen is zo nodig geoorloofd als middel om de staatsschuld versneld te reduceren. Op dit moment financiert de overheid ook allerlei uitgaven door uitverkoop van staatsbezit. Die handelwijze is onjuist. Het negatieve saldo op de staatsbalans nu al dertig miljard gulden neemt er jaarlijks verder door toe. Om een verdergaande uitholling van het staatsvermogen te voorkomen, zijn extra bezuinigingen of belastingverhogingen onvermijdelijk. Deze week valt daarover in Den Haag vermoedelijk de beslissing, of het kabinet.