Vlucht in de woestijn (1)

Afgelopen herfst vertrok Arita Baaijens voor de vierde maal naar Kairo om er voorbereidingen te treffen met haar zwangere kamelen Mabrouka en Gatifa de Libische woestijn te doorkruisen. “De woestijn laat zich van haar beste kant zien als je haar alleen tegemoet treedt.”

Vandaag het eerste, morgen het tweede deel van haar avonturen.

Drie dagen voor mijn vertrek naar Egypte bekijk ik vanaf mijn bureaustoel de chaos om me heen en barst in tranen uit. Hoewel ik wel vaker voor langere tijd wegga, lukt het me nooit om gladjes weg te komen. Ditmaal moet ik tussen het inpakken door mijn huis ontruimen omdat iemand anders daar zeven maanden gaat wonen. Ik merk hoe moeilijk het is om al mijn sporen uit te wissen en een anonieme ruimte achter te laten. Vreemd voor iemand die de helft van het jaar geen andere sporen nalaat dan een paar voetstappen in het zand die vroeg of laat door de rusteloze wind weggevaagd worden.

Het huis is leeg, de spullen zijn gepakt en nagezwaaid door dierbare huisgenoten en vrienden verdwijn ik door de paspoortcontrole. Het vliegtuig reist sneller dan ikzelf. Met de beelden van het afscheidsfeest voor ogen en met de afscheidscadeautjes nog in de hand druk ik op een zwoele septembernacht in Kairo op het knopje van de lift die me naar Pension Roma op de vierde verdieping brengt.

“Marhab, marhab, ya Arita.” De receptionist omhelst me en heet me welkom. Van de enorme hoeveelheid bagage kijkt hij niet meer op. In plaats daarvan vraagt hij hoe het met mijn kamelen gaat die de hele zomer in een kleine oase gestaan hebben.

De ochtend na mijn aankomst brengt de knorrige oude keukenhulp ontbijt op bed. Een uitzonderlijke behandeling waar hij zelf verlegen om grijnst. Ondanks het hartelijke welkom kom ik niet goed op gang. Apathisch lig ik op mijn bed te wachten op het knappen van de zeepbel waar ik me in bevind. Het is niet zozeer de overgang naar een andere cultuur die verlammend werkt - Egypte is inmiddels mijn tweede thuis geworden. Nee, het is de overgang van razend druk naar volkomen rust die de schok veroorzaakt. De afgelopen weken was ik elke minuut bezig, bezig, bezig. Het had allemaal te maken met woestijn en kamelen. Eenmaal in Egypte lijkt het wel alsof iemand op de noodrem heeft getrapt, zo abrupt is de overgang: geen telefoontjes, geen deadlines, geen overvolle agenda. Daar moet een mens van bijkomen.

Bij vrienden in Kairo ligt een brief van Carlo Bergmann, mijn woestijnkameraad die met zijn en mijn kamelen al een paar weken onderweg is. Hij schrijft dat drie van de vier naga's - vrouwtjeskamelen - zwanger zijn van Hassan, de enige hengst in het gezelschap. De kleintjes worden waarschijnlijk in februari en maart geboren. Ik verheug me op het weerzien met de dieren, maar moet nog twee maanden wachten. Tot december blijf ik in Kairo om aan mijn boek te werken over de woestijnreizen die ik de afgelopen jaren gemaakt heb. Daarna haal ik mijn beide kamelen Mabrouka en Gatifa op en vertrek voor twee maanden de Lybische woestijn in. Tegen de tijd dat de baby's geboren worden zal ik Carlo in een onbewoonde oase ontmoeten waar we samen de geboortes afwachten. De ervaring heeft geleerd dat de combinatie Carlo-Arita-Woestijn nogal explosief is. Daarom en omdat de woestijn zich van haar beste kant laat zien als je haar alleen tegemoet treedt, ga ik voor het grootste deel mijn eigen weg.

Tussen het schrijven door ben ik in Kairo vaak op de kamelenmarkt te vinden. De bevriende handelaar waar ik Gatifa gekocht heb laat ik foto's van de kamelen zien. “Walahi”, mijn god, roepen omstanders ongelovig uit wanneer ze van mij naar de foto's kijken. Zo'n moderne madam, dat kan toch niet dezelfde zijn als die halve wilde op de foto? Om ons heen laten Soedanese kamelendrijvers goedlachs hun zweep knallen om de kamelen in toom te houden. Uit het verre Soedan hebben ze de dromedarissen die iedereen hier kamelen noemt, hierheen gebracht. Een barre tocht en hun enerverende verhalen wakkeren mijn heimwee naar de woestijn alleen maar aan. Het duurt niet lang of ik buig me in mijn hotelkamer steeds vaker over de meegebrachte landkaarten. Het zijn grote vellen met opvallend weinig details. Ze geven het gevoel dat er nog veel te ontdekken valt. Bij het uitstippelen van de route vormen de enige knelpunten de begaanbaarheid van het terrein en de aanwezigheid van water. De Lybische woestijn zoals het land ten westen van de Nijl heet waar ik doorheen trek, is een van de droogste gebieden op aarde. Er groeit praktisch niets en waterbronnen zijn schaars. De zeldzame blauwe stippen op de kaart duiden erop dat de kaartenmakers vijftig jaar geleden in ieder geval water op die plaats aantroffen. De summiere gegevens weerhouden mij er niet van het ruige, desolate gebied in te gaan. Integendeel, wie zou niet op zoek willen gaan naar "two trees' of "old diggings' die op een vrijwel lege kaart staan ingetekend?

Na een maand ontmoet ik Carlo heel even. Hij brengt een vriendin die met hem meereisde naar het vliegveld. Na vijf minuten hebben we al ruzie en dat loopt zo hoog op dat ik er niet zeker van ben dat hij begin december op de afgesproken plek zal zijn met mijn kamelen.

Met een naar gevoel in mijn maag ga ik stug door met schrijven en met het voorbereiden van de voorgenomen reis. In mijn slaapkamer stal ik alles uit wat ik bij me heb voor de expeditie. Een lijst van zes kantjes vertelt me wat er allemaal mee moet. Er ontbreekt nog het een en ander: zadeltassen, reserve-onderdelen voor de zadels, dik leer om versleten voetzolen van kamelen mee op te lappen. Wat nog meer? In een stad waar bijna alles te krijgen is, is het moeilijk om me in te leven in een situatie waarbij mijn leven kan afhangen van een wel of niet meegenomen reserve-landkaart voor het geval de andere in een storm verloren raakt. Hoe ver moet ik gaan bij het indekken van risico's? Door schade en schande heb ik geleerd wat er mis kan gaan en wat ik dus nodig heb om het onheil te keren. Maar tegen een gebroken been, een blinde darm of een lege waterbron ben ik niet opgewassen. Insha'allah, als God het wil, zeggen de Egyptenaren en ik zeg het hen maar na.

De dag van vertrek nadert. Zenuwachtig zie ik de hele onderneming tegemoet en daar blijkt alle reden toe te zijn. Op een maandagmorgen stouw ik zes volgepropte zadeltassen in de bus die me in tien uur naar de oase Kharga brengt. Van de vijf westelijke oasen is het de meest zuidelijke. Tijdens de busrit nemen drie in het zwart gehulde vrouwen me onder hun hoede. Met één van hen rook ik in de rijpauze achter een schutting stiekem een sigaret. En alle drie plassen we achter hetzelfde schuurtje. Vanuit Kharga-stad neem ik de volgende dag een taxi naar een gehucht waar ik tot mijn opluchting alle kamelen voor de moskee zie zitten. Terwijl ik ze één voor één knuffel sleept de chauffeur mijn bagage uit de auto. De tassen zet ik dicht bij Mabrouka en Gatifa neer, zodat ik na de thee snel kan opladen. “Zet je spullen maar binnen neer”, begroet Carlo mij, “je zult ze niet nodig hebben.” Wel allemachtig! Onze gastheer, de hadj Abd el Mullah, komt op me afgelopen voordat ik wat terug kan zeggen. Hij voert ons mee naar het gastenverblijf waar zijn dochter thee serveert. Ongemakkelijk schuift de oude man heen en weer. Tevergeefs probeert hij de ijzige atmosfeer te verbreken met een vriendelijke lach. Carlo en ik vertrekken met de kamelen, zonder mijn bagage, naar een palmbosje een eind buiten het dorp. Pas daar wil hij uitleggen wat er aan de hand is. In mijn haat-liefdeverhouding met Carlo heb ik al veel ongelofelijks meegemaakt en ik zweer bij mezelf dat het de laatste keer is dat hij me iets vervelends flikt. Uiterlijk onbewogen, maar met een hart dat als een razende tekeer gaat hoor ik zijn verhaal aan. Het komt erop neer dat hij mijn kamelen voor eigen gebruik wil houden. Na onze ruzie in Kairo is hij mijn eigenwijze gedrag zat en hij wil me blijkbaar een hak zetten. Het allervervelendste is dat hij officieel in zijn gelijk staat, omdat hij destijds voor mij de kooptransacties in het Arabisch afgehandeld heeft en de eigendomspapieren ook heel slim heeft ondertekend. De zon daalt, het is te laat om in het donker naar het dorp terug te keren. Rillend onder een dunne deken lig ik te zinderen van woede. Het zijn momenten waarop je iemand zou kunnen vermoorden. Mijn baan opgezegd, kamelen gekocht, maandenlang deze reis voorbereid..., geen denken aan dat ik terugga.

Als de hemel langzaam verbleekt en de zon haar komst aankondigt heb ik mijn plan klaar: bij de eerste de beste gelegenheid ontvoer ik mijn kamelen en vlucht via een moeilijk te achterhalen route de woestijn in.

Foto: F. Distelbrink: Arita Baaijens met haar kamelen in de woestijn.