Rivaliserende rebellen Afghanistan moeten modus vivendi zien te vinden; Uur van de waarheid voor mujahedeen

Ruim drie jaar nadat de laatste Sovjet-militairen Afghanistan verlieten, hebben de Afghaanse islamitische verzetsstrijders, de mujahedeen, de eindzege tenslotte binnen handbereik. Glorieuze overwinningen op het slagveld zijn hier niet aan te pas gekomen; hun succes is te danken aan de onverwachts snelle aftakeling van het voormalige communistische bewind van president Najibullah.

Toen deze vorige week als een dief in de nacht de hoofdstad Kabul probeerde te ontvluchten, verging ook zijn ondergeschikten de lust nog verder weerstand te bieden aan het verzet. Zo kon het gebeuren dat de autoriteiten in de belangrijke stad Kandahar in het zuiden van het land het gisteren op een akkoordje gooiden met de mujahedeen, die al jaren dichtbij de stad hadden gelegen zonder deze ooit te kunnen innemen.

Ook uit andere delen van Afghanistan werden dergelijke overeenkomsten gemeld. Het bestuur van Jalalabad, de stad die de mujahedeen in 1989 tevergeefs poogden in te nemen, zou eveneens onderhandelen over zo'n akkoord.

De grote vraag is nu wat er met Kabul zal gebeuren. De inname van de stad, verreweg de grootste van het land met naar schatting twee tot drie miljoen inwoners, is nog steeds de absolute hoofdprijs van de oorlog. Geen enkele verzetsgroep laat zich die graag ontgaan. De bevolking van Kabul, wier waardering voor de mujahedeen de laatste jaren drastisch is verminderd als gevolg van talloze beschietingen met raketten die vaker burgers dan regeringsgebouwen troffen, houdt het hart vast.

Naar verluidt drinken de aanhangers van de vooraanstaande verzetsleider Ahmed Shah Massoud intussen vreedzaam thee met de regeringssoldaten in buitenwijken van de hoofdstad. Het lijkt erop dat de vazallen van Najibullah de hoofdstad op zichzelf wel willen overhandigen aan het verzet. Alleen weten ze niet precies aan wie, want nog altijd zijn de mujahedeen onderling zeer verdeeld.

De stad eenvoudigweg overdragen aan Massoud zou niet verstandig zijn. Massoud is een Tadzjiek, weliswaar alom gerespecteerd maar het zou voor de Pathaanse meerderheid van Afghanistan een eeuwige schande zijn als hun hoofdstad door Tadzjieken zou zijn bevrijd en niet door henzelf. Hiermee zou het zaad voor nieuw etnisch geweld worden gezaaid. Massoud zelf lijkt zich hiervan bewust en heeft laten weten dat hij de stad niet zal innemen voor er een overgangsbewind is geïnstalleerd.

Tegelijkertijd trekken zich ten zuiden van Kabul de troepen samen van de meest radicale fundamentalistische leider, Gulbuddin Hekmatyar. Deze heeft al aangekondigd dat als de stad niet vóór 26 april aan de mujahedeen is overgeleverd, hij deze met geweld zal innemen. Hoe sterk Hekmatyar en zijn strijders van zijn Hizb-i-Islami precies zijn, is niet duidelijk. Goed bewapend zijn ze zeker. Jarenlang heeft de Pakistaanse militaire inlichtingendienst ISI er voor gezorgd dat Hekmatyars getrouwen het grootste deel van de buitenlandse wapenhulp kregen. Eveneens is bekend dat Hizb-i-Islami strak is georganiseerd en veel jonge fanatieke volgelingen heeft, die hun inspiratie putten uit de Koran en uit het charismatische leiderschap van Hekmatyar. De laatste tijd, na het wegvallen van de Pakistaanse steun begin dit jaar, leek Hekmatyars ster echter dalende.

Op het slagveld heeft Hizb-i-Islami zich de afgelopen jaren niet bijzonder onderscheiden, althans niet tegen het regeringsleger van Najibullah. Wel hebben zijn mannen bij herhaling andere mujahedeen-groepen aangevallen. Al jaren circuleren er geruchten dat Hekmatyar met opzet zijn kruit droog hield voor de beslissende slotfase van het Afghaanse conflict om daarna de macht in het land naar zich toe te trekken. Nu is voor hem het uur van de waarheid aangebroken.

Mocht Hekmatyar de tijd gekomen achten voor een greep naar de macht, dan is een bloedige strijd onvermijdelijk, want andere verzetsgroepen, voorop Jamiat-i-Islami van Massoud, zullen daar niet in berusten. Het is de vraag of Hekmatyar de confrontatie nu al aandurft. Vooral zijn rivaal Massoud heeft zich bewezen als een kundig strateeg. Niet alleen wist hij in de jaren tachtig een reeks Sovjet-offensieven te weerstaan in de Panshir-vallei, ook zag hij kans om stap voor stap zijn gezag te vestigen in het hele noordoosten van Afghanistan. Hij zette zijn eigen bestuur op met een eigen rechtspraak en eigen onderwijs. Massoud beschikt over goed getrainde troepen met veel ervaring en ook hij geldt als een charismatische persoonlijkheid die kan rekenen op de absolute loyaliteit van zijn manschappen.

Behalve deze twee titanen zijn er echter nog meer partijen in het spel. Er zijn nog een paar andere fundamentalistische groepen: een afsplitsing van Hekmatyars partij onder de oude Yunis Khalis en de vooral door Saoedi-Arabië gesteunde Itehad-i-Islami van Abdul Rasul Sayaf. De eerste telt enkele bekwame aanvoerders, de tweede is militair niet van grote betekenis.

Voorts zijn er drie gematigde partijen, die met elkaar gemeen hebben dat ze de in 1973 afgezette koning Zahir Shah weer een rol willen toekennen. Militair gezien hebben deze drie niet zoveel in te brengen, maar naar verluidt bestaat er onder de grotendeels zeer conservatieve Afghaanse bevolking nog altijd veel sympathie voor de verdreven vorst, die thans in Rome woont. Zowel Hekmatyar als Massoud heeft echter steeds categorisch elke nieuwe rol voor Zahir Shah verworpen.

Ook het shi'itische deel van de Afghaanse bevolking, dat vooral in het centrum van het land woont en zo'n 15 procent van de Afghanen omvat, wil gehoord worden bij de vorming van de nieuwe regering. Veel shi'ieten hebben dapper gevochten in de jarenlange strijd tegen de communisten en willen daarvoor nu beloond worden. Het is echter de vraag of de sunnitische meerderheid zich veel aan hen gelegen zal laten liggen. Vast staat dat de shi'ieten uit alle macht worden gesteund door Iran.

Al deze zeer uiteenlopende groeperingen zullen het nu op korte termijn eens moeten worden over een modus vivendi. Of hen dit lukt, lijkt op zijn minst twijfelachtig. In het recente verleden zijn de leiders er immers op kritieke ogenblikken nooit in geslaagd effectief politiek samen te werken. De onderlinge tegenstellingen, zowel etnisch als religieus, kregen altijd de overhand.

Wellicht kan er hierbij een nuttige rol zijn weggelegd voor de speciale onderhandelaar van de Verenigde Naties, Benon Sevan. Deze zag zijn eigen zorgvuldig voorbereide plan voor een overgangsbewind vorige week door het overhaaste vertrek van Najibullah grotendeels in het water vallen. Zijn rol werd plotseling gereduceerd tot die van onderhandelaar voor een vrijgeleide voor Najibullah. Sevan zou echter de dankbaarheid van alle Afghanen verdienen als hij kans zou zien via overleg een vreedzame overgave van Kabul aan de mujahedeen te regelen.

Een laatste belangrijke maar zeer onzekere factor zijn de militairen van het regeringsleger. Zij zijn nog zwaar bewapend en het valt moeilijk te voorspellen welke kant zij zullen kiezen als er gevechten in de hoofdstad uitbreken. Niet uigesloten is dat hun voorkeur bepaald zal worden door etnische verbondenheid met een of meer van de verzetsgroepen. Hetzelfde geldt vermoedelijk voor de oude partijbonzen, die in Kabul in sommige kringen nog wel degelijk aanhang genieten.

Vooralsnog is een bloedbad in Kabul uitgebleven, maar de kans op gewelddadigheden en een bijltjesdag onder voormalige communisten blijft levensgroot aanwezig. De recente geschiedenis van Afghanistan, die met veel bloed is besmeurd, doet het ergste vrezen over de afloop.