Korten op ontwikkelingshulp zou juist nu onbetrouwbaar zijn; Een mooi moment om de beloften in te lossen die in internationale fora al zo vaak door de rijke landen zijn gedaan

Anderhalve maand geleden vroeg Novib-secretaris Van den Berg om een fundamentele reorganisatie van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Zijn pleidooi leidde tot veel reacties; Max van den Berg maakt nu een balans op.

Het heilige huisje dat ontwikkelingssamenwerking heel lang is geweest, trilt op zijn grondvesten. Steeds meer staan doel en werkwijze van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking ter discussie. De effectiviteit van de hulp wordt betwist, de omvang ervan is omstreden, de bijna exclusieve besteding voor armoedebestrijding in ontwikkelingslanden is niet langer vanzelfsprekend. Bovendien wordt weer steeds vaker de vraag gesteld in hoeverre de gever zich mag bemoeien met het interne beleid van het ontvangende land.

Uit het debat blijkt allereerst dat de sector volwassen is geworden. De ontwikkelingssamenwerking is definitief ontgroeid aan de kinderschoenentijd, waarin goede bedoelingen voldoende werden geacht en een professionele maatstaf nog wel eens ontbrak. Dat die tijd achter ons ligt is maar goed ook.

Maar er is meer aan de hand: de wereld verandert sneller dan op enig ander moment sinds de Tweede Wereldoorlog. Dicht bij huis, in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie blijkt een behoefte aan buitenlandse hulp te bestaan die zelfs de best ingewijden niet hebben vermoed. Ook de urgentie van een effectief internationaal milieubeleid - juist ook in ontwikkelingslanden - en de omvang van de daaraan verbonden kosten, worden steeds duidelijker gevoeld. Het aantal asielzoekers dat in Nederland zorgvuldig moet worden opgevangen is sterker gestegen dan tot voor kort werd gedacht.

Voor al die nieuwe taken is veel geld nodig en er is nauwelijks een regering denkbaar die dit gemakkelijk beschikbaar heeft. De begroting van minister Pronk - die, ondanks een forse aderlating bij de Tussenbalans-operatie in 1991, nog fors meestijgt met de groei van het nationaal inkomen - is bij collega's van deze minister een geliefd doelwit. Het is nog maar de vraag of voorkomen kan worden dat de steun aan de traditionele ontwikkelingslanden de dupe wordt.

Dat dit voorkomen moet worden is boven elke twijfel verheven. Dat is ook de belangrijkste reden voor mijn pleidooi in NRC Handelsblad van 7 maart voor een reorganisatie van Ontwikkelingssamenwerking. De sluipende slijtage van het draagvlak waarop het Nederlandse beleid rust, is om verschillende redenen onaanvaardbaar.

Het aantal mensen op de wereld dat onder de armoedegrens leeft, neemt nog steeds toe. Sinds de jaren zeventig is de externe omgeving voor ontwikkelingslanden continu verslechterd: steeds lagere grondstoffenprijzen, een protectionistische handelspolitiek in de rijke landen, een omgekeerde kapitaalstroom van Zuid naar Noord, veroorzaakt door teruglopende hulp en investeringen en een stijgende schuldenlast. Het voorgeschreven medicijn in de vorm van aan de schuldenlanden voorgeschreven structurele aanpassingsprogramma's, heeft de armoede bovendien niet zelden aantoonbaar vergroot.

Aan het begin van de jaren negentig zijn de kansen om deze neerwaartse spiraal om te buigen groter dan ze lange tijd geweest zijn. Een geest van internationale samenwerking heeft de polarisatie tussen Noord en Zuid naar de achtergrond gedrongen. Er is meer aandacht voor mensenrechten en democratisering in voorheen autocratisch bestuurde samenlevingen. Liberalisering van de economie is in de plaats gekomen van rigide staatsbemoeienis en bureaucratie.

Er is dus in veel gevallen precies gebeurd waar het Westen altijd om heeft gevraagd. Een mooi moment om de beloften in te lossen die in internationale fora al zo vaak door de rijke landen zijn gedaan: hulpvergroting, verruiming van markttoegang, overdracht van technologie. Korting op ontwikkelingssamenwerking zou juist op dit moment wel een erg onbetrouwbare indruk maken.

Dat wil niet zeggen dat er voor nieuwe landen of thema's geen oog zou moeten zijn. Het mondiaal milieu en Oost-Europa kunnen niet straffeloos aan hun lot worden overgelaten. Het betekent wel dat nieuwe taken alleen met nieuw geld kunnen worden opgepakt. Wat dat betreft verschil ik fundamenteel van mening met de CDA-commissie Van Dijk, die de ontwikkelingsbegroting ervoor wil gebruiken.

Het is verheugend dat in de CDA-fractie wel degelijk voor het aanboren van nieuwe financieringsbronnen wordt gepleit. Fractievoorzitter Brinkman heeft in dit verband al een actief gebruik van het vredesdividend bepleit, en de PvdA-fractie wil, getuige een recent rapport, hetzelfde.

Aangenomen dat er in de uitvoering van nieuwe hulptaken een duidelijke rol van Ontwikkelingssamenwerking is weggelegd, betekent het aanboren van nieuw geld dat er een versterking van het bijbehorende departement zal moeten plaatsvinden. Vreemd genoeg blijkt uit een reactie op mijn verhaal van Van Gennip (in de krant van 17 maart) en later ook uit een interview met Baehr in NRC Handelsblad, dat hun gedachten eerder uitgaan naar een degradatie van de minister tot het niveau van staatssecretaris op buitenlandse zaken dan naar een - door mij en anderen noodzakelijk geachte - opwaardering van die post.

Ook minister Van den Broek lijkt, gezien zijn bijdrage deze maand aan het debat in de Eerste Kamer over zijn begroting, te voelen voor het idee dat een staatssecretaris eigenlijk wel voldoende is. Daarmee doemt het gevaar op dat Ontwikkelingssamenwerking verder in prestige daalt en in de praktijk volledig ondergeschikt wordt aan de belangen van het Nederlands buitenlands beleid.

Beter lijkt het de minister voor ontwikkelingssamenwerking juist meer bevoegdheden te geven. Hij of zij hoort de volledige verantwoordelijkheid te dragen voor het totaal van de Noord-Zuid-betrekkingen. Naast de hulp betreft dit allereerst het handelsbeleid en de schuldenpolitiek. De eis van duurzame ontwikkeling betekent bovendien dat ook milieu-afspraken tussen Noord en Zuid onder zijn competentie vallen. De rechtsgelijkheid vraagt dat ook landen van Oost-Europa en het GOS die volgens de OESO tot de arme landen horen, voor ontwikkelingssamenwerking in aanmerking komen.

Aan de meer politieke kant zullen, hoe lastig dit soms ook is, onvermijdelijk soms ook mensenrechten aan de orde komen. Waar elementair respect voor mensenrechten ontbreekt, kunnen ontwikkelingsgelden immers nooit doelmatig en doeltreffend worden besteed.

De voor een dergelijke constructie steeds gebruikte term "super-ministerie' is ongelukkig. Die suggereert centralisatie en bureaucratie, terwijl het benodigde budget - geschat op tien miljard tegen het jaar 2000 - nog altijd veel kleiner is dan dat van menig ander departement. Bovendien zou er een studie kunnen worden gedaan naar de voor- en nadelen van het onderbrengen van de technische uitvoering van de hulp in een op afstand van het departement gesitueerde Rijksdienst.

Om het geheel van hier genoemde taken op een samenhangende en eigentijdse wijze te kunnen regelen, heb ik gepleit voor het afsluiten van ontwikkelingscontracten. Ook voor de multilaterale hulpverlening zou een dergelijk model gepropageerd kunnen worden. Want een Nederlandse "Alleingang' wordt steeds minder van belang.

Met het Verdrag van Lomé benadert de EG het idee van contracten overigens al in grote mate. Centraal in de contracten zoals ik die voor me zie, staat de wederkerigheid. Dat is nou precies het verschil met de aanpassingsprogramma's van IMF/Wereldbank, waar Roel Janssen (NRC Handelsblad van 13 maart) mijn voorstel mee vergelijkt. Terwijl deze regelmatig eenzijdig worden afgedwongen, bevat het contract voor beide partijen rechten en plichten.