Een kleine klap voor de ex

Hordijk is een grote, zware man van dertig jaar die met de nodige bravoure het zaaltje van de Utrechtse politierechter binnenklost. Zijn vriendin dirigeert hij met een royale armzwaai naar een van de toeschouwersbankjes, terwijl hij zelf breed voor het hekje gaat staan, het ijzer met beide handen stevig omklemmend. Alsof hij wil zeggen: wat wou je van me?

“U mag gaan zitten”, zegt de rechter, mr. N. Jörg.

“Dank je wel”, zegt Hordijk, en hij ploft neer. Dan draait hij zich half om en neemt met brutale ogen zijn omgeving op.

Het is een entree die elke doorgewinterde advocaat zijn cliënt met klem zal ontraden. Stel je bescheiden op, wees beleefd, beetje slijmen kan geen kwaad - het zijn voor de hand liggende adviezen die Hordijk hier met voeten treedt.

Hordijk wordt ervan beschuldigd zijn ex-vrouw een fikse klap te hebben gegeven. Bovendien heeft hij de auto van haar vriend beschadigd en een ruit van het gebouw van de Utrechtse rechtbank vernield. Het was allemaal gebeurd na de zesde en laatste rechtszitting over de toewijzing van de voogdij over de drie kinderen uit Hordijks gestrande huwelijk. Twee kinderen waren Hordijk door de rechtbank toegewezen - niet alle drie, zoals hij vurig gehoopt had.

Het gevolg: een ware explosie van woede na afloop van de zitting. Hordijk had zijn vrouw een hengst gegeven voordat ze in de auto van haar vriend kon stappen. Toen ze wegreden, trapte hij een deuk in het portier. Vervolgens sloeg hij een ruit bij de rechtbank in.

“Klopt het?” vraagt de rechter.

“Die auto heb ik niet gedaan.”

“En die stomp?”

“Moet u maar aan mijn advocaat vragen.”

“Maar die was er niet bij, en u wel.”

“Nee”, zegt de advocaat, ”ik was er juist wel bij.”

“Ik wil het toch liever van u horen”, zegt de rechter tegen de verdachte. “U kunt toch wel zeggen: het is wel of niet gebeurd?”

“Ik zeg al gauw te veel”, zegt Hordijk.

“Die klap klopt?”

“Het was een aai.”

“Aai?”

“Een kleine klap. Ik heb grote handen.”

“Een klap die u opluchtte.”

“Zeker. Ik weet dat het niet mag. Maar ik heb niet tegen die auto getrapt. Ik heb alleen een klap op de ruit gegeven.”

De advocaat had hem niet kunnen tegenhouden. “De emoties waren idioot hoog opgelopen”, zegt hij. “Ik had erge moeite hem onder controle te houden.”

“Normaal vecht ik nooit”, zegt de verdachte.

In zijn machtige lijf blijkt een week hartje schuil te gaan. Hij vertelt hoe de periode met de zes rechtszittingen hem volledig had gesloopt. Hij zat vol medicijnen en was twintig kilo afgevallen toen de laatste rechtszitting begon. Na het incident op straat, na afloop van de zitting, was hij thuis ingestort. “Ik ben twee weken ziek geweest. Ik heb enorm gehuild. Nooit eerder heb ik een vrouw geslagen. Ik bedoel, een man kan zich verweren, maar een vrouw? Twee weken lang heb ik niet gegeten. Ik was als een lijk.”

“Dat is inmiddels sterk veranderd”, voegt de advocaat er, ietwat overbodig, aan toe.

Hordijk blaakt nu weer van zelfvertrouwen en hij functioneert goed als vrachtwagenchauffeur.

“Wat verdient u daarmee”, wil de rechter weten.

“Twee ruggen. Daarvan moet ik drie kinderen onderhouden. En ik heb een schuld van 18.000 gulden door de boedelscheiding.”

Met de kinderen gaat het goed, verzekert hij desgevraagd de rechter. Hoe goed? Nou, de een zit nu in een pleeggezin en de ander in een kindertehuis. Hij heeft veel contact met hen. “Die kinderen”, mijmert hij, “dat is toch het mooiste wat een mens bezit. Daar kan niets tegenop. Mijn vrouw interesseert me niet meer, maar die kinderen... Ach, het is het enige wat je aan die tijd hebt overgehouden.”

De officier van justitie, mevrouw I. Hage, bejegent hem mild. “Ik kan me zijn woede wel voorstellen. Maar dat betekent nog niet dat je maar in het wilde weg kunt gaan vernielen.” Ze eist een geldboete van duizend gulden, waarvan de helft voorwaardelijk.

“Hoe moet ik dat betalen?” vraagt Hordijk.

Zijn advocaat vraagt zich af of een straf in zo'n geval nog wel zinvol is. “Het is alweer vijftien maanden geleden gebeurd. Mijn cliënt heeft er enorme spijt van. De vraag is: welk doel dient zo'n straf dan nog?”

De rechter is het niet met hem eens. “Alles is bewezen. Daarvoor moet een straf volgen. De eis van de officier is bepaald niet aan de hoge kant. Alleen al op een droge klap staat 500 gulden boete. Toch zal ik niet méér vragen, omdat het nu weer beter met u gaat. Ik leg u een straf op omdat er bij de maatschappij en het slachtoffer dingen leven die om een vereffening van de rekening...”

De rechter kan zijn zin niet voltooien.

“Het slachtoffer?” ontploft Hordijk. De ruiten van het zaaltje sidderen - zullen ze het einde van de morgen halen? “Die vrouw heeft mij méér aangedaan dan ik haar!”

“Het vonnis”, vervolgt de rechter onverstoorbaar, “luidt: 500 gulden, te betalen in vijf termijnen.”

“Hoe moet ik dat financieel behappen?” vraagt Hordijk.

“Als u het er financieel niet mee eens bent”, zegt de rechter, “dan kunt u...”

“Ik ben het er wèl mee eens”, zegt Hordijk. “Ik kan het alleen niet betalen. Een van mijn kinderen zit in Friesland. Die wil ik elk weekend opzoeken. Hoe moet dat? Het openbaar vervoer is duur en ik heb al een grote schuld. Moet u luisteren, u zult ook wel weten hoe belangrijk het voor kinderen is om contact te hebben. U heeft toch zelf ook kinderen, neem ik aan? Hoe zou u het nou vinden om...”

“Dit is het vonnis”, kapt de rechter hem af.

“Oké”, zegt Hordijk, en hij loopt kwaad weg. “Bedankt voor de moeite en prettige dag nog.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.