Als de wil tot handelen ontbreekt

Wie zich erover verbaast dat de parlementsverkiezingen in diverse landen de afgelopen weken vrijwel steeds zijn uitgedraaid op protestverkiezingen - een protest tegen een breedsprakige, maar niet erg daadkrachtige elite - moet eens denken aan de internationale toestand. Waar nog niet zo lang geleden mannen als Churchill, De Gaulle, Adenauer en De Gasperi stonden, is nu in de verste verte geen staatsman te zien. Er is niemand die net als Churchill of Monnet een visie van een nieuwe wereld kan overbrengen.

Het gebrek aan vastbeslotenheid en bereidheid tot handelen is op het internationale toneel des te onbegrijpelijker gezien de dringende noodzaak om in actie te komen, juist daar. Tenslotte zijn zelden het einde van een tijdperk en de ineenstorting van de structuren ervan zo duidelijk zichtbaar geweest als juist nu.

De afgelopen vier decennia was alles duidelijk. Iedereen wist waar hij hoorde en wat hij daar - in Oost zowel als West - moest doen, denken en zeggen; iedereen kende het vijandbeeld dat hem toekwam. Nu is alles anders geworden, niets is meer zoals het was. Nu moet op de puinhopen van de communistische dictatuur het fundament van een nieuwe democratie worden gelegd, nu moet een vredesorde worden opgebouwd en wel even optimaal als eerder de Koude Oorlog. Maar niemand heeft een visie op de toekomst, iedereen is radeloos.

Na veertig jaar heeft het Westen eindelijk ten koste van vele opofferingen de overwinning in de Koude Oorlog behaald. Maar sinds dat doel is bereikt - sinds het communisme is ingestort - is er niemand die een vredesplan ontwikkelt. De tweede etappe wordt gewoon aan het toeval overgelaten.

Men heeft het ongemakkelijke gevoel dat de geschiedenis aan ons voorbijstroomt als een snelle bergrivier, terwijl de regeerders en de onderdanen aan de oever staan zonder te weten waarheen de reis gaat. Voortdurend ontmoeten ministers elkaar, ze snellen van continent naar continent, maar een concept lijkt daar niet uit voort te komen. Veel vragen zijn open, vooral de moeilijkste: wat moet er gebeuren om, nu de deling van Europa eindelijk ongedaan is gemaakt, de wereld nu tot een eenheid samen te smeden en om te verhinderen dat er nieuwe barrières en vijandbeelden ontstaan?

Het stereotype antwoord - dat uit het Westen komt - luidt: privatisering en markteconomie. Velen in het Westen zijn dermate dronken van de zege op het ten onder gaande communisme, dat er voor de overwinnaars al bij voorbaat geen ander antwoord is. Met uitzondering van Bonn heeft het Westen lang geweigerd iets voor de Oosteuropeanen te doen zolang ze geen vooruitgang in hun economische hervormingen konden laten zien. Ergo: de patiënt moet eerst bewijzen dat hij gezond kan worden voordat hij geneesmiddelen krijgt. Van de Sovjet-Unie werd zelfs verlangd dat ze de eerst de onomkeerbaarheid van de economische hervormingen aantoonde voordat hulp kon worden gegeven.

Kennelijk is geen van de overwinnaars te binnen geschoten, dat men een planeconomie niet zonder plan kan transformeren. Evenmin, dat in een overgangsfase de staat als locomotief wel degelijk nuttig kan zijn en dat initiatief van staatswege in het industrieel beleid en in de infrastructuur onontbeerlijk is. Als daaraan niet tevoren wordt gedacht, heeft het weinig zin in een laat stadium plotseling 24 miljard dollar ter beschikking te stellen.

Als er van het begin af aan een concept was geweest, had met dat bedrag waarschijnlijk veel bewerkstelligd kunnen worden. In Die Zeit hebben we drie jaar geleden voorgesteld om geen geld in de toen nog bestaande Sovjet-Unie te pompen, maar de modernisering van de Sovjet-olieproduktie onmiddellijk ter hand te nemen, omdat volgens Russische opgaven veertig procent van de olie op weg naar de consument verloren gaat. Die veertig procent moest worden gered, opdat die voor deviezen kon worden geëxporteerd. Maar zoiets lukt natuurlijk alleen in een gezamenlijke actie van de Westerse oliemaatschappijen en niet zolang ze in onderlinge concurrentie zijn gewikkeld.

De hele wereld, ook de Amerikanen, vraagt zich nu af welke de rol van Amerika in de veranderde wereld zal zijn - moet zijn. Voorlopig heeft alleen het Pentagon geantwoord. Maar zoals te verwachten was berust dat antwoord op totaal verouderde voorstellingen: hegemonie, bewapening, politieagent van de wereld...

Een concept, waarmee op de drempel van de 21ste eeuw een contourloos geworden wereld een nieuwe gedaante kan krijgen, lijkt niemand te hebben. Er wordt geen enkele gedachte verspild aan de Derde Wereld. Er worden slechts wat spookscenario's uit de doeken gedaan: overstromingen door “massa's hongerigen” of “benden terroristen”. Iets constructiefs is er niet bij. Ook een ander probleem, dat pas in de laatste maanden aan het licht is gekomen aan de hand van de Joegoslavische crisis, maar dat ons in de toekomst vaker zal plagen, is niet principieel onderkend: de antinomie van zelfbeschikkingsrecht en soevereiniteit - de vraag dus, of men bijvoorbeeld de naar onafhankelijkheid strevende Kroaten mag steunen tegen het als soeverein erkende Joegoslavië.

Verder: men heeft ingezien dat tegenwoordig veel problemen wereldwijde implicaties hebben, en dus op nationaal niveau niet meer kunnen worden opgelost - zoals alles wat met het milieu te maken heeft, of met energiezaken of het asielrecht. Maar toch gebeurt er aan coördinatie op internationaal niveau op die gebieden veel te weinig. De werkelijkheid van deze wereld heeft daarbij al lang een forse voorsprong genomen op ons bewustzijn: televisie, satellieten, de multinationals die hun netten over hele werelddelen hebben uitgespreid en die die werelddelen met elkaar verbinden, worden als werkelijkheid nog in het geheel niet waargenomen.

Van de toch al niet grote nationale eenheden Spanje, Engeland en Italië proberen etnische splintergroepen zich af te scheiden: de Basken, de Schotten, de Lombarden. In het Westen wint het denkbeeld veld dat de nationale staat een achterhaald model is - juist daarom moet de integratie van West-Europa nog nauwer worden. In het Oosten daarentegen vindt over de hele linie een emotionele re-nationalisering plaats en worden oude etnische conflicten tot leven gewekt. Men kan weliswaar begrijpen dat na de lange jaren van communistische onderdrukking de behoefte zich eerst eens even te verzekeren van een eigen identiteit, zowel in de Baltische landen als in de GOS-landen zeer intensief is.

Misschien waren de Oosteuropeanen er zonder dit altijd latente nationalisme niet eens in geslaagd hun identiteit te bewaren en zou het ook niet tot hun vrijheidsstrijd zijn gekomen. Het is echter te hopen dat ze, zodra ze klaar zijn met het proeven van die nationale vrijheid en soevereiniteit, zo snel mogelijk hun economieën weer onderbrengen onder een gemeenschappelijk dak. Als ze dat niet doen, zullen ze niet overleven.

Waarschijnlijk had het Westen kunnen helpen die landen van die noodzaak te overtuigen, want het is toch wel duidelijk dat de staten in het Oosten degemeenschappelijke markt en de NAVO - dus integratie - zien als een ontwikkelingsmodel dat de moeite waard is.

Als het Westen vanaf het begin een inspirerend concept had gehad, een tienjarenplan met het perspectief van Europese integratie op termijn óók van de Oosteuropese landen - misschien op regionale basis -, dan zou het waarschijnlijk wel zijn gelukt het nationalisme, de antithese van de ontwikkeling van een moderne wereldeconomie, in te dammen. In deze fase van de geschiedenis is dat nationalisme niet slechts een Fremdkörper, maar zelfs een werkelijk gevaar. Om dat in te zien hoeft men slechts te denken aan de geschiedenis van het Duitse nationalisme.

Het Duitse nationalisme ontwaakte, zoals bekend, in het verzet tegen Napoleon, dus in het verzet tegen de bezetting van Duitsland en het Franse streven naar hegemonie. Voor die tijd speelden nationale standpunten in het geheel geen rol. De hele negentiende eeuw werden vervolgens de nationale aspiraties uitsluitend gericht op eenheid, dus op de schepping van een Duits rijk uit de talloze kleine staatjes.

Pas bij de voorbereiding op de Eerste Wereldoorlog kreeg het nationalisme de destructieve karaktertrekken waardoor het nu wordt gekenmerkt en die de inleiding tot het totalitarisme werden: haat, intolerantie, demagogie, doctrinaire propaganda. Ludendorffs "totale oorlog' was een kwalijk voorproefje op wat volgde. Het nationalisme in het Oosten staat, zoals Joegoslavië en andere voorbeelden aantonen, geen zinvolle ontwikkeling toe. Daarom moet met alle middelen worden geprobeerd het weer in de hand te krijgen.

Wie nu terugdenkt aan de gelukkige dag in november 1989 waarop de Muur open ging, kan makkelijk de indruk hebben dat sindsdien al decennia zijn verstreken. We hebben de tijd slecht gebruikt. We zijn nog altijd radeloos en we hebben geen concept.

Zou het liggen aan het feit dat we nog altijd denken in economische categorieën en niet langer in spirituele? Dat we almaar discussiëren over het BNP, over exportcijfers, groeipercentages en arbeidsproduktiviteit, en niet meer kijken naar de historische en filosofische samenhang?

©Die Zeit/NRC Handelsblad

Foto: Wie terugdenkt aan de gelukkige dag dat de Muur open ging, kan makkelijk de indruk hebben dat sindsdien al decennia zijn verstreken. (Foto NRC Handelsblad/ Chris de Jongh)