"Zoals ik in elkaar zit zullen er wel wat traantjes aan te pas komen'; "Tijdens het lopen stroomt er steeds meer weg uit je kop'; "Ik heb het zelf moeten leren. We zijn geen grote sprekers'

Bewierookt, gekruisigd en weer opgestaan. De 37-jarige ERIC GERETS is een bevoorrecht mens, vindt hij zelf. Bij het afscheid van een een tomeloze werker die steeds tot de bodem moest gaan. Een voetballeven als een Paasverhaal.

Als hij 's avonds thuis met zijn vrouw palavert over het naderend afscheid, dan krijgt hij een krop in zijn keel. Hij kan het niet vermijden. “Ik voel dat het einde nadert. Ik denk dat er wel wat traantjes aan te pas zullen komen, want zoals ik in elkaar zit kan dat niet anders. Alleen liever niet met al die camera's en al die mensen. Er zijn toch bepaalde dingen die je voor jezelf wilt houden. Lekker uitjanken kun je beter in je eentje doen.”

Een boomstronk in het bos. De merels fluiten. Eric Gerets schraapt zijn keel.

Zijn loopbaan is een opeenvolging van overwinningen, op anderen en op zichzelf. Acht keer landskampioen in elf jaar Standard Luik en zeven jaar PSV. Winnaar van de Europa Cup 1 in 1988. Vierde bij het WK in Mexico. Zesentachtig interlands. En dan nog al die uitverkiezingen voor Europese en wereldelftallen.

Een eindeloos hooggebergte en een peilloze diepte. Door de geschiedenis geboekstaafd als "de omkoopaffaire'. “Ik sta daar niet meer bij stil.” Hij zegt het afwerend. “Dat is een gesloten boek.”

Maar het blijft wel de periode waarin hij de waarde van vriendschap heeft geleerd, waarin hij benaderbaarder is geworden, minder bruut voor zichzelf. Niet langer dat vleesgeworden zwaargebarricadeerde munitiedepôt. Zonder zou hij ook nooit zo hebben genoten van die laatste zeven jaren. Alsof hij van de man met de zeis onverwacht uitstel had gekregen. Leven na de dood. Misschien is die "omkoopaffaire' wel het beste wat hem ooit is overkomen.

In de nacht van 28 op 29 februari 1984 bekende Eric Gerets dat hij als aanvoerder van Standard Luik twee seizoenen eerder 420.000 francs had overhandigd aan Waterschei-speler Roland Janssen. Veertien maal 30.000 francs, 1.600 gulden. De winstpremies van de Standard-spelers, bestemd voor Waterschei-collega's. Standard Luik kon kampioen worden in die laatste competitiewedstrijd. Waterschei zou niet te moeilijk doen.

Het was dat de onderzoeksrechter weigerde hem zijn autosleutels terug te geven. Anders had hij zich waarschijnlijk tegen een boom te pletter gereden. Zijn carrière die met zijn transfer naar AC Milan juist haar hoogtepunt bereikte, was in één klap ten einde. Hij, die altijd oprechtheid gepreekt had, die een voorbeeld had willen zijn voor de jeugd, was als een ranzige scharrelaar te kijk gezet.

Achteraf voelt hij zich gebruikt door trainer Raymond Goethals, “die de ganse spelersgroep zo'n kop heeft laten krijgen die laatste week, terwijl we toch al onder spanning zaten voor die laatste wedstrijd. Het initiatief om die premies af te staan, is nooit van de spelers gekomen.” Hij voelt zich ook slachtoffer van de situatie, want bij een andere club als tegenstander zou hij nooit zijn premie hebben afgegeven. Maar bij Waterschei zaten toevallig wel zijn vrienden, Willy Vliegen en Roland Janssen, dat zijn nog altijd zijn vrienden, met wie hij nu de trainerscursus volgt. “Jongens die 's morgens nog moesten werken en 's middags gingen voetballen. En als ze me dan vijf dagen de kop gek gaan maken, dan zeg ik "geef die jongens die paar franken', waar ze bij wijze van spreken nog niet eens een tuinstel voor konden kopen. Ik heb me laten manipuleren en daarvoor moest ik straf krijgen. Maar of die straf ook eerlijk verdeeld was, dat durf ik te betwijfelen.”

Gerets werd veroordeeld tot drie jaar schorsing, een straf die later tot een jaar werd verminderd. AC Milan, dat net zelf een omkoopaffaire achter de rug had, zette hem direct op straat. Van de villa met de vier badkamers in Olinasio di Besozzo kon hij weer terug naar het Belgische Rekem, naar de woning naast zijn ouderlijke huis.

Nooit, nee, nooit, ook later niet, heeft hij met zijn ouders gesproken over die moeilijke tijden. Niet met zijn vader, “een brave man die zijn ganse leven heeft gewerkt, die nu gepensioneerd is en die om de veertien dagen een wedstrijdje meepikt”. Niet met zijn moeder, “meer het rusteloze type die krom loopt van het werk dat ze al haar leven verricht heeft” en “nog altijd niet de rust vindt die ze eigenlijk verdiend heeft”. “Mensen die zoveel gemist hebben in hun leven, dat ze nog 100 jaar zouden moeten leven om mee te maken wat ik op mijn leeftijd al beleefd heb.” Mensen “die het van huis niet hebben meegekregen zich te uiten”, niet in lofkozingen en niet in woorden. “Dat heb ik allemaal zelf moeten leren. Geleerd dankzij de wereld waarin ik terecht ben gekomen. Ik was uitermate gesloten. Wij zijn geen grote sprekers thuis.”

Woorden konden hem niet helpen na de schorsing. Maar de trouw van zijn vrienden hielp hem overleven. Dat ze hem niet lieten vallen toen het slecht ging. Dat ze bleven komen. “Heerlijk als je dat merkt.”

“Vrienden zijn uitermate belangrijk in mijn leven. Ik kan zonder niet leven. Het liefste ben ik tussen de mensen die me dierbaar zijn. Vrienden, dat zijn in de eerste plaats mensen die je kunt vertrouwen. Mensen die aanvoelen wanneer ze een keer bij je moeten binnenspringen, met wie je emoties kunt delen. Ik ben wel moeilijk in het begin, maar als ik eenmaal vrienden gemaakt heb, zijn het vrienden voor het leven. Ik heb me gelukkig nog nooit in mijn vrienden vergist.”

Liever dan te praten met vrienden, ging hij na de verbanning lopen in zijn eentje. Hardlopen was voor hem altijd al een manier geweest om zich af te reageren. Als hij meende dat hij een slechte wedstrijd had gespeeld, moest hij zich in het bos nog even “helemaal stuk lopen”. “Tot de bodem gaan, dat heb je soms nodig. Om te voelen wat je kunt. Om te voelen wat je verdragen kunt.”

“Lopen neemt de stress niet helemaal weg. Maar je voelt je na afloop wel beter. Tijdens het lopen denk je aan niks. Of aan alles, maar naarmate je loopt, stroomt er steeds meer uit je kop weg. En als je dan thuis komt, en je hebt lekker gedoucht, en je gaat op de bank liggen, dan heb je een heel voldaan gevoel.”

Al lopend kwam ook weer de zin in het voetbal. Sneller dan hij gedacht had, kreeg hij ook weer een kans. Eerst bij MVV, waar hij zijn carrière dacht af te sluiten. Maar met “de wraak als motor” speelde hij zich al snel weer in de kijker van topclubs. Met PSV bereikte hij uiteindelijk toch nog onververwachte hoogten. Bij PSV beleefde hij zijn tweede jeugd.

Daarom zegt hij dat de ellende van die omkoopaffaire, “op persoonlijk vlak, op financieel vlak”, wegvalt tegen “het geluk” van die laatste zeven vette jaren. Achteraf, zegt hij, rest op zijn blazoen zelfs geen smetje. “Want de mensen hebben mij voor 100 procent gerehabiliteerd. Ik ben terug aanvoerder van het Belgisch elftal geworden. Ik ben terug aan de top gekomen. Ik ben een bevoorrecht persoon.”

Met de wederopstanding is hij ook een andere speler geworden. Natuurlijk, zijn prestatiedrang is nooit geluwd. “Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik me constant moest bewijzen. Tegenover mezelf. Mezelf waarmaken, dat loopt als een rode draad door mijn leven.” Het enig kind, geboren toen zijn moeder 42 was, na de miskraam van een jongens-tweeling, heeft het “altijd beter willen doen”.

Maar de ontevredenheid over zichzelf, zijn onbereikbaarheid na een nederlaag, de overmaat aan spanning in zijn lichaam, zijn toch langzaam geweken. In elk geval gedeeltelijk. Hij heeft geleerd te aanvaarden dat hij tegen een snelle spits soms tekort komt. “Dat zijn de wetten van de natuur.” En hij zal na een verloren wedstrijd niet “als een egoïst” zich van niemand meer wat aantrekken, ook niet van zijn vrienden, en in de auto stappen en naar huis gaan. “Terwijl ik dat vroeger niet kon tegenhouden.”

Ook zal hij zich niet meer door de druk laten slopen. Hij is nog altijd een ontzettend druk baasje, de drukste van de PSV-selectie, vindt hij zelf. “Alle hoop hebben ze opgegeven dat ik nog ooit zal kalmeren. Dat is nu eenmaal de manier waarop ik het voetbal beleef.”

“Die druk had ik nodig om steeds scherp te blijven. Maar die druk heeft me ook ontzettend veel energie gekost. Vooral in het begin van mijn loopbaan. Ik was kapot na de wedstrijd. Niet zozeer door die negentig minuten voetbal, maar door die stress die eigenlijk al de dag van tevoren begon.”

Als de druk te hoog wordt, moet hij een uitlaatklep hebben. Hardlopen bij voorbeeld. In de wedstrijd tegen Feyenoord was hij maar wat blij geweest dat hij zich even had kunnen opwarmen langs de zijlijn tijdens een blessurebehandeling van Berrie van Aerle. “Toch een ontlading als je supergespannen hebt zitten kijken op de bank.”

Echt helemaal rustig wordt hij pas in de vervallen boerderij, een vierkantshoeve, die hij onlangs gekocht heeft. “Als ik daar binnenkom, dan sluit ik de deur, die hele, grote poort. Dan ziet niemand mij meer, in die oase van rust. En na een uur kom ik fluitend weer buiten.”

Eigenlijk had hij die hoeve met eigen handen willen restaureren. Op zijn dooie gemak. Maar daarvoor ontbreekt hem toch weer de rust. Als trainer van FC Luik heeft hij opnieuw voor de druk gekozen. Bij PSV had hij ook nog een jaar rustig kunnen meedraaien in de technische staf. Alleen had hij zich dan niet met het eerste elftal mogen bemoeien. “Ik denk dat het tijd is om te gaan. Ik wil zien wat ik waard ben als trainer.”

Wat blijft na twintig jaren topvoetbal? “Veel, heel veel”, zegt Gerets. “Ik ben iemand die men over 100 jaar, als ik al 50 jaar dood ben, in het Luikse nog zal kennen. Die man met die baard. Die werkvoetballer waar de mens in de straat zichzelf in terug herkende.”

“Je leeft in het heden, en voor een deel in de toekomst en van de mooie herinneringen. Mijn sportieve prestaties neemt niemand mij af. Maar als mens heb je natuurlijk veel meer aan de contacten die je hebt opgebouwd. En dat je iets van de wereld gezien hebt. Zodat je niet meer blind door de maatschappij loopt maar naast je ook die andere mensen ziet die misschien wel meer respect verdienen omdat ze moeten krabbelen en krassen om iedere maand rond te komen. Dingen waar je anders niet bij stil staat. Die je doen beseffen wat een gelukzak je bent.”