Zo, zwaluwen

En de avonden natuurlijk, vooral na een dag van wind en buien, als het tot besluit zo mooi kan ophelderen.

Je loopt een eind door de polder en dat is precies waar je zin in hebt: een eind door de polder lopen, een beetje denken, een beetje suffen.

Iets waar je géén zin in hebt is het zwarte schaap, dat op z'n rug in een greppeltje is gerold. Maar het ligt er, onmiskenbaar. Muurvast zo te zien. En er staat een lammetje bij, en het wordt koud vannacht, en er ligt een plank over de sloot.

Je zet de hond vast en gaat het weiland in. Je vermijdt het groen dat het schaap heeft laten lopen. Je grijpt het bij de schouders in de vacht en zet het overeind. Met dunne poten en een verontwaardigd blaatgeluid gaat het ervandoor. “Stommeling.”

Je loopt verder en probeert het gevoel te herstellen van een avond waarop niets gebeurt. Alleen een beetje denken, een beetje suffen en nu en dan een blik op het bleke vuurwerk dat ontsnapt aan een kleine smidse op de einder.

Dan een elzenhaagje en daar scheren de eerste twee boerenzwaluwen. Kwetterend, hongerig. “Zo!”, zeg je. “Zwaluwen!” En als altijd bij de eerste zwaluwen: als ze daar maar geen spijt van krijgen.

Rond half negen gaat de zon onder. Je neemt een boekje en een potlood en noteert: de zon gaat onder.