Waarin de hele wereld lijkt samen te spannen ...

Waarin de hele wereld lijkt samen te spannen tegen het Enzensberger-interview

"Ik moest maar eens aan het werk,'' fluisterde ik tegen oud-collega Feike Nuninga, uitbater van de Railroad Bar, terwijl hij tevergeefs met een overgeschoten Waikiki Winker voor mijn neus stond te swingen. ""Eerlijk zweet stinkt niet, weet je. En dat geldt zeker voor mijn Enzensberger-interview.''

Gedecideerd als zelden tevoren baande ik mij door het hoofdstedelijk inferno een weg naar huis. Ik voelde mij danig grachtengordel-bestendig en sloeg dan ook geen acht op de mensen om mij heen. Aldus bruuskeerde ik mijn goede vriend Appie-Jan Hoekstra de Wolff, die met een zekere aandrang op straat het dreigend teveel aan zendtijd van zijn protestante radio-omroep uitventte aan de hoogst biedende, alvorens ik even gemakkelijk mijn innige kennis Leo van Veen ontweek, de 38-jarige dirigent van een gezellig house-orkestje, dat ""almaar uit zijn dak ging'' zodat Leo's ""eigen energieke oer-ik'' ernstig zichtbaar werd, de reden waarom hij als terzakekundige al menige pagina over zijn eigen ensemble in de vanouds jeugdige Volkskrant had mogen volschrijven, waarna ik ook al zonder schade de onbesuisde Parool-columnist Bob Spaak buitenom passeerde, die na een journalistieke misslag richting Boek in Beeld zojuist (en niet voor het eerst) languit onderuit was gegaan op het terras van het veel te Grand Café Luxembourg - zo had iedereen een manier om een naam op te bouwen, dacht ik, terwijl ik achteloos een gulden in de hoge hoed mikte van een eenzame zigeunermuzikant in wie ik nog net de voorheen veelgelezen dichter Romario herkende.

Pffff, eindelijk thuis!

Ik had er zin in. Met één vloeiende beweging zette ik de tekstverwerker aan, schoof de ceedee met de nieuwe opera van Alfred Schnittke in mijn muziekinstallatie, schonk een alcoholarme verversing in, en concludeerde: daar gaat-ie Daan! Nu zou niets mij meer tegenhouden!

Alle Jezus, telefoon! Oh nee, het waren de eerste maten van het baanbrekende werk van Schnittke, De Idioot. Had Prins Claus hiernaar moeten luisteren? En de cultureel geequipeerde pers was nog wel zo unisono enthousiast geweest over deze proeve van volkomen kosmische coma-geluiden! Snel maakte ik een einde aan dit muzikale mijnenveld waar iemand blindelings doorheen liep, en koos voor mijn favoriete arbeidsvitaminen: Jaap van Zweden plays Vivaldi's greatest hits, part 17.

Hè, gezellig, dacht ik, terwijl mijn vingers boven het toetsenbord zweefden. De eerste zin, die had ik al, die zong al dagen door mijn hoofd. ""Niemand schrijft zo licht als Hans Magnus Enzensberger,'' schreef ik, ""zo licht dat de lezer eindelijk het Europese Huis tot in de donkerste kamertjes kan aanschouwen.''

Dat staat, Daan, dacht ik in mijn nopjes. Heerlijk was het toch, dat schrijven. Vooral als je iets te zeggen had. En wel zeker wanneer je met een diepzinnige intellectuele exercitie de vluchtigheid van de dagelijkse actualiteit kon ontstijgen. Nou, en dat ging met Enzensberger bijna als vanzelf! Ik noteerde: ""Natuurlijk, er zijn goede, slechte en middelmatige boeken.'' Tevreden leunde ik achterover. Die moest ik onthouden, voor als ik de nominaties van de jaarlijkse Bruna Boeken Bokaal vergelijkenderwijs de gezaghebbende revue van Boek in Beeld zou laten passeren.

Alles goed en wel, maar: nu ging het over Enzensberger. Om nog dieper te kunnen denken, zette ik mijn bril af. Daar de interviewbandjes zo lelijk stuk waren, moest ik mij proberen te herinneren wat deze Grote Duitse Denker ook al weer had gezegd (Auf Deutsch, nog wel!). Over de negatieve utopie van de moderne tijd, het A-B-C van het apocalyptische denken, de nakende ondergang van de wereld, en zijn fragiele hoop op een veelvormig Europa, enzo. Want daarover was ons goede gesprek op Bahnhof Zoo gegaan, toch? Of betrof het veeleer het secundair analfabetisme in het teevee-tijdperk, de ondergang van de Titanic, de berustende vrolijkheid danwel vrolijke berusting in zijn oeuvre, dat alomvattende spiegelkabinet van de poëtische cultuurfilosofie, waar mijnheer Enzensberger zo sterk in was? En luidde hoe dan ook de slotsom van zijn boeiend betoog niet, las ik op de enige notitie in mijn aantekenblokje, zoiets als: ""dass ein reduziertes Murmelm immer noch besser ist, als ganz zu schweigen''? Dat moest het zijn ja, maar: wat betekende het?

Hola, wat was dat nu weer? Alle Jezus, het leek wel alsof de hele wereld samenspande tegen de produktie van dit Enzensberger-interview! Het duurde even voordat ik begreep dat het aanhoudend geklingel de voordeur betrof, en niet een geraffineerd orkestraal arrangement van mijn bovenbuurman de Grote Nederlandse Componist Peter Schapendonk, wiens toonklok maar niet wilde harmoniëren met mijn behoefte aan slaap. Er was bezoek!

Geagiteerd opende ik de voordeur. Grote goden, ik was vergeten mijn bril op te zetten, wie stond daar? ""Dag Daan, ik word oud,'' sprak de bezoeker. Ik zocht even naar een snedige riposte. ""Tuttut..., het leven begint pas bij de jaren des onderscheids,'' probeerde ik de situatie in te schatten, terwijl langzaam tot mij doordrong dat deze verregende figuur een oud-klasgenoot was.

""Zelf schrijver worden, dat is wat ik wil, Daan,'' sprak hij mismoedig, terwijl hij mij opzij duwde en de kamer betrad, ""Wil ik even binnenkomen? We moeten nodig eens bijpraten.'' Hoezo "we', dacht ik, terwijl ik wanhopig naar mijn bril zocht en met tegenzin zei: ""Kopje thee?''

Eindelijk, mijn bril! Alle Jezus, nu zag ik het: het was Jerry de Jong, de komische komiek, de magische moralist, de piekerende peinzer, de virtuoze verbalist die het liefst zijn eigen voorzetten inkopte. Hij zag eruit alsof hij een roman had geschreven die niet genomineerd was voor de Bruna Boeken Bokaal. En dat was ook zo.

Jarenlang had hij geen afscheid kunnen nemen van zijn grappen, maar nu had hij haast. ""Nee, geen thee, Daan, dit gaat voor.'' Vanonder zijn regenjas haalde hij een veel te dik manuscript te voorschijn. ""Hier is 't Daan,'' sprak hij plechtig. ""Het is mijn levenswerk.'' Ik probeerde hem uitdrukkingsloos aan te kijken. ""Je ziet er gebronsd uit, Jerry. Leuke vakantie gehad op Ibiza?'' ""Neen, twee weekjes Pietermaritzburg,'' mompelde hij, ""Best leuk. Het is een land van contrasten.'' Met een beslist gebaar drukte hij zijn levenswerk in mijn handen. "Roman' stond dreigend op de eerste pagina.

""Tjonge, jonge, jij maakt wat mee!'' zei ik, terwijl hij neerplofte op mijn Leen Bakkerbankje. ""Je moet het hardop voorlezen, Daan,'' zie Jerry dreigend, ""Ik ga pas weg als je het uit hebt.'' De moed zonk in mijn schoenen toen ik lusteloos de eerste zin van het levenswerk las. ""In den beginne was er duisternis alom,'' stond er, ""en toen schiep ik het licht.''

Grote goden, Daan, peinsde ik, en ik dacht dat ik een creatieve crisis had!

(Wordt vervolgd)