Nieuwe zakelijkheid; De spion zoekt een ander doelwit

Westerse spionnen voelen zich als politie-rechercheurs die weer als wijkagent de straat op moeten. Nu de Koude Oorlog ten einde is, zijn ze naarstig op zoek naar nieuwe vijandelijke doelen. Soms naar Oosteuropese ex-agenten die van werkgever zijn veranderd. Voor nostalgie naar de tijd dat de wereld uit vrienden en vijanden bestond is geen plaats, er zijn slechts belangen.

Geheim agenten wekken graag de indruk dat niets op aarde voor hen verborgen blijft. De hoogste baas van een inlichtingendienst trekt bij voorkeur een ondoorgrondelijk gezicht. Geheim agenten tonen gelijkenis met de helden in de spionageromans van John le Carré en ze ergeren zich aan het geromantiseerde beeld van spionnen die moeiteloos mooie vrouwen het bed inpraten.

Spionnen en agenten van de contra-spionage behoeven in het geheel geen slanke, lenige James Bonds te zijn. Het forse embonpoint van prefect Jacques Fournet, directeur van de Franse binnenlandse veiligheidsdienst DST, doet niet onder voor dat van het hoofd van de Nederlandse BVD, Arthur Docters van Leeuwen.

Voor geheim agenten is alles geheim. Dat leidt tot merkwaardige conversaties. De Fransman Fournet heeft geen bezwaar tegen publikatie van zijn woorden, op voorwaarde dat ze niet tussen aanhalingstekens geplaatst worden. Een Britse ambtenaar verklaart eerst dat MI6 - codenaam voor de Britse buitenlandse spionagedienst - officieel niet bestaat en dat het bestaan van MI5 - de Britse binnenlandse veiligheidsdienst - pas sinds kort officieel niet kan worden ontkend. Om daarna mee te delen wie voor nadere informatie over de Britse veiligheidsdiensten benaderd kan worden.

Bij de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) is geheimzinnig gegoochel evenmin ongewoon. Directeur Docters van Leeuwen laat weten dat hij wel wil praten, maar pas als hem zou blijken dat de Britse en Franse diensten bereid zijn de verslaggever te woord te staan. De BVD wéét wie met een buitenlandse geheime dienst contact legt en Docters van Leeuwen zal telefonisch contact met mij opnemen als hij ervan op de hoogte is gesteld dat de Britten en Fransen akkoord zijn met een gesprek. Het feit dat sindsdien een telefoontje is uitgebleven, doet vermoeden dat ook aan de aandacht van Big Brother in Den Haag iets kan ontsnappen.

Nieuwe doelen

Bij alle Westeuropese inlichtingendiensten is een ingrijpend veranderingsproces aan de gang. Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn veel Westerse spionnen hun vertrouwde tegenstanders kwijt. Niet dat geheim agenten niets meer te doen hebben, zoals de titel van John le Carré's recente boek De laatste spion suggereert, maar van het grote kat-en-muis-spel tussen Westerse geheime agenten en de KGB is nog slechts weinig over. Veel spionnen moeten zich op nieuwe vijandelijke doelen concentreren.

Het kost veiligheidsagenten soms moeite hun oude Oostblok-specialisme op te geven. Ze voelen zich als politie-rechercheurs die weer als wijkagent de straat op moeten. Directeur Fournet van de DST (Direction de la Surveillance du Territoire) loopt niet over van medeleven met agenten die nostalgisch terugblikken op de tijd dat de wereld eenvoudig was te verdelen in vrienden en vijanden. Er zijn geen vrienden, er zijn geen vijanden, er zijn slechts belangen, houdt hij ze voor.

De gevolgen van het einde van de Koude Oorlog voor inlichtingendiensten verschillen per land. De verandering hangt af van de internationale politieke positie van een land en van de plaats die de inlichtingendienst in het betrokken land inneemt. In Groot-Brittannië ontsnappen de geheime diensten als verdedigers van de Kroon aan elke parlementaire controle. In Frankrijk is die controle eveneens afwezig, maar daar beklagen de geheim agenten zich over het gebrek aan vertrouwen dat verantwoordelijke ministers en de president in hen koesteren. In Duitsland bestaat wel een uitgebreide parlementaire controle. De inlichtingendiensten hebben er zelfs persvoorlichters in dienst die echter, door de pers het verzoek te doen hen niet als bron te noemen, op hun beurt de geheimzinnigheid in stand houden.

Werkloze spionnen

De meest ingrijpende veranderingen zijn op het ogenblik aan de gang in Duitsland. De Duitse spionnen zijn met de opheffing van de DDR van het ene ogenblik op het andere hun belangrijkste tegenstanders kwijtgeraakt. Duitse geheime diensten hebben nieuwe taken gevonden, maar dit heeft een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen niet kunnen voorkomen.

Volgens Konrad Porzner, de president van de Bundesnachrichtendienst, de buitenlandse inlichtingendienst, betekent de verdwijning van de DDR dat zijn organisatie van zevenduizend medewerkers terug moet naar 6300. Bij het Bundesamt für Verfassungsschutz, de binnenlandse veiligheidsdienst, verdwijnen vierhonderd van de ruim 2400 banen. Bovendien worden bij de veiligheidsdiensten van de oude deelstaten met in totaal ongeveer 2500 medewerkers enkele honderden functies opgeheven. Daar staat tegenover dat er in de nieuwe deelstaten van de voormalige DDR, waar de vroegere Stasi's massaal zijn ontslagen, zo'n 500 banen voor geheim agenten van de Verfassungsschutz zijn bijgekomen.

Duitsland is bij uitstek het land van de werkloze spionnen geworden. Volgens Eckart Werthebach, de president van de Verfassungsschutz, had de oude DDR tussen de 5.000 en 7.000 geheim agenten in de voormalige Bondsrepubliek. Hij gaat ervan uit dat enkele honderden van hen nu voor onbekenden spionagewerk verrichten. De Verfassungsschutz tracht die ex-agenten op te sporen en bovendien voormalige Stasi's, die in de DDR werkten, in de gaten te houden. Velen van hen ontmoeten elkaar geregeld. Als ontslagen agenten van de communistische dictatuur verkeren zij in een tamelijk uitzichtloze positie: werk krijgen ze moeilijk en in hun beroepssector is momenteel het aanbod op de arbeidsmarkt groter dan de vraag.

De laatste jaren vraagt het bespioneren van voormalige geheim agenten in meer landen extra aandacht. In Frankrijk bestaat de indruk dat voormalige spionnen in dienst worden genomen door multinationale particuliere geheime diensten, die zich hebben gespecialiseerd in het ontvreemden van geheime technologie en deze kennis voor veel geld verkopen aan landen of ondernemingen. Waarop deze indruk is gebaseerd blijft echter een geheim.

Bij alle Westerse geheime diensten wordt, sinds de Sovjet-Unie niet meer bestaat, eenzelfde reeks taken genoemd. Die betreffen vooral de nieuwe republieken van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten. Er is grote behoefte aan gegevens over de politici in die republieken en over de kansen op het uitbreken van conflicten. Verder: terrorismebestrijding, bescherming of verovering van geheime technologie en het tegengaan van de verspreiding van wapens voor massavernietiging. Behalve in Duitsland leeft nergens de gedachte dat het werk verminderd is.

Analyses

In de hal van het Franse ministerie van binnenlandse zaken wacht een geheim agent - grijs pak, grote snor. Zijn aanwezigheid verlost mij van het afgeven van een identificatiebewijs en het op de borst klemmen van een bezoekerspasje. Hij begeleidt mij naar de dertiende verdieping, waar DST-directeur Fournet in een kamer met vlaggen en een portret van president Mitterrand zijn commando voert.

Fournet - hij heeft 1500 geheim agenten onder zijn hoede - heeft, anders dan sommige buitenlandse collega's, geen belangstelling voor taken als de bestrijding van drugshandel en criminaliteit. Dat werk kan er immers toe leiden dat geheim agenten, net als de politie, verklaringen voor de rechter moeten afleggen en dat vindt Fournet onaantrekkelijk voor zijn in het verborgene werkende dienst.

Sinds kort richt de contra-spionage van de DST zich in de eerste plaats op het maken van analyses van het verleden. Nu steeds meer bekend wordt over geheime activiteiten van de Sovjet-Unie wil men nagaan wat de zwakheden van de eigen werkmethoden waren en zo de contra-spionage verbeteren. Daarnaast wordt nauwkeurig gevolgd wat voormalige spionnen uitvoeren. Volgens Fournet zijn er bewijzen dat KGB-agenten, vroeger werkzaam voor de Sovjet-Unie, nu actief zijn voor Rusland. Wat dat betreft is het onlangs in België opgerolde Russische netwerk geen uitzondering. Fournet zegt dat de zelfverzekerdheid van de KGB-spionnen sterk is afgenomen sinds zij de Sovjet-Unie niet meer achter zich hebben.

Omdat het totale contra-spionagewerk is verminderd, moet een deel van het personeel dat vroeger daarmee actief was nu analyses maken van de situatie in Oost-Europa. Tijdig moet worden gesignaleerd wanneer het risico reëel wordt dat conflicten leiden tot onrust in Frankrijk. Een zorg van de DST is bijvoorbeeld te voorkomen dat Serven en Kroaten elkaar in Frankrijk in de haren vliegen.

Steeds meer Franse geheim agenten krijgen als taak te voorkomen dat technologie voor niet-vreedzaam gebruik naar het buitenland verdwijnt. Fournet heeft de indruk dat vroegere KGB-spionnen die zich nu in het Westen als zakenlieden voordoen, hun oude beroep niet altijd zijn vergeten. De vraag is dan ook of ze technologie kunnen meenemen die ooit tegen Frankrijk gebruikt kan worden. Om dit werk te kunnen doen is de DST afhankelijk van goede contacten bij de industrie.

De DST controleert tevens de Franse wapenhandel en tracht terroristische aanslagen te voorkomen. Over moslim-fundamentalisme - voor de Nederlandse BVD een punt van zorg - maakt Fournet zich niet druk. Tijdens de Golfoorlog en de recente gebeurtenissen in Algerije is alles in Frankrijk rustig gebleven, zegt hij, wat bewijst dat moslims beter in de (Franse) samenleving zijn geïntegreerd dan menigeen denkt.

Geheime diensten bestrijden elkaar niet alleen, ze werken ook samen. In West-Europa is er vrijwel dagelijks sprake van uitwisseling van informatie tussen inlichtingendiensten. Het is daarbij belangrijk, zegt Fournet, dat er persoonlijke contacten zijn tussen de agenten en dat er niet slechts informatie wordt gevraagd, maar ook kan worden aangeboden. Het "voor wat hoort wat' staat hoog in het spionage-vaandel geschreven. Een bijeenkomst, zoals onlangs in Sofia, van spionnen uit dertig landen in Oost en West is daarom niet verwonderlijk. Er is geen Koude Oorlog meer die verhindert dat CIA en KGB samenwerken als beide partijen belang hebben bij het uitwisselen van informatie.

Establishment

Wie aan de museumportier van the Tate Gallery in Londen vraagt wat dat nieuwe gebouw van gelige steen met groen glas aan de overkant van de Thames is, krijgt zonder aarzeling als antwoord: ""MI5, MI6, Sir''. De Britse geheime diensten, door Fournet bewonderd om hun uitzonderlijke professionaliteit, opereren in de grootste verborgenheid - hun nieuwe behuizing is een ieder bekend.

De Britse inlichtingendiensten communiceren indirect met de buitenwereld en Britse spionnen schromen niet gebruik te maken van hun verwevenheid met het Britse establishment. Rupert Allison bijvoorbeeld, een conservatief lid van het Lagerhuis, werd destijds via een oom, oud-agent van de binnenlandse veiligheidsdienst MI5, ingeschakeld. Hij vertolkte vervolgens de opinie van de geheime organisatie naar aanleiding van beschuldigingen dat oud-directeur-generaal Hollis van MI5 in de jaren zestig een dubbelspion zou zijn geweest.

Allison geldt sindsdien, en niet het minst ook door zijn spionageboeken onder het pseudoniem Nigel West, als een uitzonderlijk goed geïnformeerde bron over de Britse geheime diensten. Hij zegt: ""Ik word vertrouwd. Ik geef al mijn boeken vóór publikatie aan de autoriteiten te lezen. Zij kunnen mij dan vragen er iets uit te schrappen. Het betekent niet dat zij het met mijn boek eens zijn, maar zij lopen geen enkel risico. Als journalisten anonieme bronnen binnen de veiligheidsdiensten citeren, kun je vaak aan de hand van het gebruikte jargon vaststellen dat het geen goed geïnformeerde bronnen zijn.''

Kenneth Robertson, directeur Europese en internationale studies aan de universiteit van Reading, staat ook bij zijn studenten bekend als een ingewijde in de wereld van de geheime diensten. Hij vertelt dat zijn studenten een aarzelende nieuwsgierigheid ten opzichte van spionage vertonen, alsof het om ""een exotisch seksueel gebruik'' gaat. Soms vraagt een student hem waarin hij zich bij zijn studie moet specialiseren om in aanmerking te komen voor een carrière bij de geheime dienst. Studeer wat je wilt, is zijn antwoord. Naar een functie bij de geheime dienst kun je niet solliciteren, je kunt er slechts voor gevraagd worden.

MI5, de Britse binnenlandse veiligheidsdienst met zo'n 4500 medewerkers, vreest, nu niet iedere Rus en Bulgaar in Londen meer behoeft te worden geschaduwd, dat de regering geneigd zal zijn in het geheime budget te snoeien.

Om te tonen dat de wil bestaat nieuwe taken ter hand te nemen, heeft de dienst gemeld belangstelling te hebben om deel te nemen aan de bestrijding van het IRA-terrorisme, tot nu toe een zaak van de Special Branch van Scotland Yard. Kenners beschouwen dit vooral als een politiek gebaar. Want werkelijk deelnemen aan de strijd tegen IRA-geweld en andere criminaliteit zou rechterlijke en parlementaire controle met zich meebrengen, iets dat geheel indruist tegen de traditie van MI5, een dienst die zich als verdediger van de Britse Kroon ver boven de dagelijkse politiek verheven voelt.

MI6, de buitenlandse inlichtingendienst met volgens niet officiële bronnen zo'n 10.000 medewerkers, heeft zich voor een mogelijke besnoeiing niet bevreesd getoond. Voor die vrees is ook weinig grond. In het licht van de problemen die zich sinds het einde van de Koude Oorlog voordoen wordt in Groot-Brittannië zelfs een groter belang gehecht aan het werk van de agenten van MI6, werk dat in de Britse "sex and spies' romantraditie door oud-medewerkers veelvuldig is beschreven.

Het vergaren van informatie over de republieken van de voormalige Sovjet-Unie, het onderzoek naar de vraag of landen in het bezit zijn van vernietigende technologie - het zijn zaken waarin de ouderwetse spion, die zich ter plaatse op de hoogte stelt, tot zijn recht komt. De gegevens van spionagesatellieten, die tijdens de Koude Oorlog een overheersende rol speelden, voldoen hier niet altijd.

Afhankelijk

De Britten beschikken overigens over een geringe capaciteit aan spionagesatellieten. Ze hebben op het gebied van buitenlandse inlichtingen gekozen voor samenwerking met de Amerikanen, aan wie ze grotendeels de kostbare investeringen in satellieten overlaten. Dat is precies het tegendeel van wat Frankrijk nastreeft. Generaal Christian Prasil, directeur algemene studies bij de Franse generale staf, zegt dat de Fransen zich tijdens de Golfoorlog volkomen afhankelijk voelden van de Amerikaanse satellietinformatie. ""Wij zijn traditioneel zwak op het gebied van inlichtingen. Daaraan moet een einde komen. De Franse belangen zijn niet altijd gelijk aan de Amerikaanse.'' Maar een eigen netwerk van spionagesatellieten van de in oprichting zijnde Direction du Renseignement Militaire (DRM) is te kostbaar en daarom willen de Fransen een Europees systeem, net zoals ze een Europese defensie willen.

De Franse buitenlandse inlichtingendienst, de Direction Générale de la Sécurité Exterieure (DGSE) met 4000 medewerkers, heeft zich net als diensten van andere landen aangepast aan de veranderde omstandigheden. De DGSE opereert als alle geheime diensten, vechtend om exclusieve informatie die gebruikt kan worden als ruilmateriaal tegen inlichtingen van concurrerende organisaties.

Pierre Marion, begin jaren tachtig korte tijd directeur van de DGSE, heeft vorig jaar een boekje open gedaan over de missers van deze geheime dienst en verteld hoe de Fransen in de Verenigde Staten industriële spionage bedrijven. Onder geheim agenten wordt zoiets met verachting afgedaan als "nestbevuiling' en Marion wordt afgeschilderd als een man met een labiel karakter. De vorige Britse premier Margaret Thatcher trachtte met hulp van advocaten de publikatie van de bestseller Spy Catcher van de voormalige MI5-spion Peter Wright te voorkomen.

Zo kiest elk Westeuropees land zijn eigen manier om af te rekenen met een ex-spion die uit de school klapt. Voor geheim agenten die nog actief zijn, geldt een ander verhaal. Zij zullen, zegt de Franse DST-directeur Fournet, ook nu de Koude Oorlog voorbij is, niet meer vertellen dan ze kwijt willen.

Zwarte markt