Newyorkse problemen in voorspelbaar "Move!'

Voorstelling: Move!, musical van Rick Atwell, Isidore Elias, Randy Klein en Willem Ennes. Spelers: Paul Hadobas, Aimée Covo, Karin Bloemen, e.a. Muziek o.l.v. John Lehman. Regie: Geoff Ferris en Rick Atwell. Gezien: 17/4 in theater Carré, Amsterdam. Aldaar t/m 10/5, daarna elders.

Het openingsbeeld van de nieuwe musical Move! doet aan heel wat andere musicals denken: tien dansers in een studio, in bodystockings en beenwarmers. Maar het eerste geluid is dat van een drilboor, buiten, en uit dat dreigende gebrom komen de eerste noten voort. Eén voor één zijn de oude dansstudio's in Manhattan, in hun negentiende-eeuwse gebouwen, de afgelopen jaren platgegaan voor de projectontwikkelaars van New York. Van die broedplaatsen voor Broadway is er bijna geen meer over - en op die gure werkelijkheid baseerde de Amerikaanse choreograaf Rick Atwell het idee voor de show, die hij nu onder auspiciën van het Amsterdamse Carré heeft kunnen produceren. In de hoop, uiteraard, er ooit mee op Broadway terecht te komen.

Dáár is de problematiek ongetwijfeld herkenbaarder dan hier. Ik vrees echter, dat de bezwaren tegen Move! er dezelfde zullen zijn. Atwell en zijn mede-auteurs spitsen het conflict toe op een idealistische choreograaf annex dansschoolleider en een gewetenloze projectontwikkelaarster, maar houden die boog zelden gespannen. Veelvuldig dwalen ze af naar particuliere probleempjes tussen de dansers in de studio, die aan de plot niets bijzonders toevoegen en de handeling voornamelijk stilzetten. Veel exposé-songs, veel scènes die er eigenlijk niet toe doen. En wat nog belangrijker is: niet bijster verrassend uitgewerkt.

Het beste van de show is de Amerikaans-Nederlandse cast: dansers, zangers en acteurs inéén, die met ogenschijnlijk gemak de professionele pretenties waarmaken. Paul Hadobas is meer dan geloofwaardig als de choreograaf; aan hem ligt het niet, dat zijn rol zonder veel reliëf blijft steken in die van de idealist en protagonist. Tegenover hem staat Karin Bloemen, larger than life, in gifgroen en vervaarlijk zwart met lovertjes, als de matrone met de expansionistische bouwplannen (Watch me as I flatten / half of whole Manhattan!). Ook zij kreeg te weinig pregnant materiaal in handen, maar ze haalt er meer uit dan erin zit.

Teleurstellend, zoveel talent in zo'n middelmatige musical. De songs doen voornamelijk denken aan duizend andere songs, de dialogen schreeuwen om meer satirische vinnigheid. Het onrealistisch zoete happy end is typerend - de projectontwikkelaarster krijgt spijt en sponsort een nieuwe studio voor het enthousiaste groepje dansers. Zo'n slot is ook al eens eerder verzonnen.