Kyliáns Beckett-interpretatie complex en vol dramatiek

Gezelschap: Nederlands Dans Theater. Nieuw ballet: As if never been. Choreografie en decor: Jir Kylián; muziek: Lukas Foss; kostuums: Joke Visser; licht: Joop Caboort. Gezien: 16/4 AT&T Danstheater, Den Haag. Daar nog te zien: 22 t/m 25/4, 29/4 en 30/4. Verder: 17 t/m 19/4 Amsterdam, 28/4 Eindhoven, 1/5 en 2/5 Rotterdam.

Ter gelegenheid van het Beckett-festival in Den Haag maakte Jirí Kylián op muziek van Lukas Foss het werk As if never been. De titel is een fragment van een zin uit Samuel Becketts monoloog Ohio impromptu die in zijn geheel in het programmaboekje is opgenomen. In de monoloog leest een man aan een zwijgende toeschouwer de laatste bladzijde voor uit een boek. In uiterst sobere zinnen verhaalt hij over de pogingen van een man verlichting te vinden voor het verlies van een dierbare door naar een andere, volstrekt eenzame plaats te verhuizen. Weg van daar waar hij het leven met die ander deelde. Daar valt hij echter ten prooi aan oude, vergeten angsten, terugkomend "after so long a lapse that as if never been'.

Een tweede citaat van Beckett staat eveneens in het programma vermeld: “Er is niets uit te drukken, niets waarmee uit te drukken, niets van waaruit uit te drukken, geen kracht om uit te drukken, geen verlangen om uit te drukken, tegelijkertijd met de verplichting om uit te drukken.” Beide Beckett-citaten plus de gebruikte muziek van Lukas Foss (diens Orpheus en Euridice) geven aan dat Kyliáns nieuwe choreografie niet een ongecompliceerd en opgewekt danswerk is. Het is waar voer voor psychologen en mythologen, want het biedt volop kansen tot velerlei interpretaties. De strenge soberheid van Becketts monoloog vertaalde Kylián in het uit vijf mensen bestaand koor. Hoog in de lucht gezeten en oprijzend uit de ondersteboven liggende lichamen van nauwelijks zichtbare beelden. Ze vertellen de tekst in een gestileerde gebarentaal. Voor hen dansen een man en vrouw een dramatisch geladen duet vol angsten, onmacht, benauwende en toch ook zelf gezochte verbondenheid. De draad van een vuurrode, half afgewonden knot wol die beiden verbindt en ook dreigt te verstikken is het centrale, dwingende attribuut.

De complexheid van Kyliáns rijke bewegingstaal is duidend voor de complexheid van de menselijke ziel, zoals de zich herhalende gebaren van de op een zelfde plaats vastgeklonken zittende figuur op de achtergrond lijken te verwijzen naar menselijke onmacht om datgene uit te drukken dat in diepste wezen schreeuwt om uitgedrukt te worden. Kylián biedt geen oplossingen. Hij werpt vragen op en laat je als toeschouwer in verwarring achter, terwijl hij tegelijkertijd zoveel schoons en boeiends in beelden en beweging laat zien. Het werk wordt, eigenlijk zoals altijd bij het Nederlands Dans Theater het geval is, voortreffelijk gedanst door Patrick Delcroix en de sterk naar voor komende Nancy Euverink die een opvallende gelijkenis gaat tonen met Sabine Kupferberg, Kyliáns levensgezel en voormalig NDT-danseres. Niet alleen in verschijning, maar ook omdat Kylián bewegingen voor haar creëerde die nauwe binding hebben met die uit Silent cry, de indrukwekkende solo die hij in 1986 voor Kupferberg maakte.