Erfrecht is er voor nabestaanden, niet voor het gemak van de notaris; Het bestaande erfrecht laat de langstlevende echtgenoot - meestal de vrouw - te veel in de kou staan; De langstlevende krijgt slechts een kindsdeel en blijft daardoor doorgaans onv...

De notarissen en kandidaat-notarissen hebben vorige week in een algemene vergadering van hun broederschap nog eens hun voorkeur beleden voor een nieuw wettelijk erfrecht volgens het stelsel van de ouderlijke boedelverdeling.

Zij stelden zich daarmee op tegenover het in de Tweede Kamer aanhangige voorstel om aan de langstlevende echtgenoot een vruchtgebruik toe te kennen en het aandeel van de nalatenschap dat door de kinderen van de overledene wordt geërfd. De Tweede Kamer zal voor het eind van deze maand over dat wetsvoorstel een voorlopig verslag opstellen. Er is dus nog tijd voor een bijdrage aan de discussie.

Onlangs had ik het voorrecht voor de Ring Amsterdam van de Koninklijke Notariële Broederschap een debat te voeren met prof.mr. M.J.A. van Mourik, de kampioen van het stelsel van de ouderlijke boedelverdeling. Door de botsing der meningen werd nog eens duidelijk waarom tot nog toe de wetgever (de regering, gesteund door de duidelijke meerderheid in de Tweede Kamer) de notarissen niet heeft willen volgen.

Over één ding zijn notarissen en de voorstanders van de in het wetsvoorstel neergelegde vruchtgebruiksregeling het volledig eens: het bestaande erfrecht, dat wil zeggen het erfrecht dat geldt in alle gevallen waarin daarvan niet bij testament is afgeweken, laat de langstlevende echtgenoot - meestal de vrouw - te veel in de kou staan. De langstlevende krijgt slechts een kindsdeel van de nalatenschap en blijft daardoor doorgaans onvoldoende verzorgd achter. Daarom worden notarissen alom geconfronteerd met het verzoek de vererving bij testament zodanig te regelen dat de langstlevende alles krijgt. Die wens heeft geleid tot het door het notariaat ontwikkelde stelsel van de ouderlijke boedelverdeling: De langstlevende verkrijgt alle goederen en de kinderen, die volgens de huidige wet aanspraak hebben op een wettelijk minimum - de legitieme portie - krijgen op de langstlevende een geldvordering ter waarde van hun (wettelijk) erfdeel, die pas opeisbaar wordt bij het overlijden van de langstlevende.

Dit stelsel is zeer overzichtelijk bij een echtpaar dat bijeen blijft tot de dood man en vrouw scheidt en waarvan de langstlevende niet opnieuw in het huwelijk treedt. Van Mourik wil het daarom tot wettelijk systeem verheffen. Daarmee is immers het materiële probleem van de langstlevende opgelost en de wet komt aldus tegemoet aan de vraag die de gemiddelde notaris zo vaak krijgt voorgelegd.

De ouderlijke boedelverdeling lost inderdaad het probleem van de verzorging van de langstlevende echtgenoot op. De wetgever moet echter verder kijken dan zijn neus lang is. De vraag die notarissen kennelijk niet stellen is: "...en daarna?' De langstlevende komt immers ook ooit te overlijden. Is deze dan niet hertrouwd, dan komen de kinderen aan bod. In veel gevallen is echter wel sprake van een tweede huwelijk. Wordt dan geen testament gemaakt - en daarvan moet de wetgever bij het ontwerpen van een nieuw wettelijk erfrecht uitgaan - dan zal wederom de langstlevende erven. Stel dat de oorspronkelijke langstlevende, die alle goederen heeft geërfd, hertrouwt met een echgenoot met kinderen - een veel voorkomend geval - en dat in dat tweede huwelijk de oorspronkelijke langstlevende het eerst overlijdt. In dat geval erft de tweede huwelijkspartner alle goederen uit het eerste huwelijk, die dan na het overlijden van de laatstgenoemde, toevallen aan diens kinderen en niet aan de kinderen uit het eerste huwelijk. De kinderen uit het eerste huwelijk zien de goederen uit hun ouderlijk huis uiteindelijk vererven door de voorkinderen van de tweede huwelijkspartner van de langstlevende hunner ouders - hun stiefbroers en -zusters dus, met wie zij wellicht nooit samen een gezin hebben gevormd.

Het wetsvoorstel voorkomt deze ongerijmde situatie en biedt de kinderen na het overlijden van één van hun ouders, een uitzicht op goederen na het overlijden van de langstlevende, ook als deze hertrouwt. In een tijd waarin zeer vele huwelijken worden gesloten door personen die al eerder gehuwd waren en waarin het levenslange huwelijk nog steeds relatief terugloopt, is een dergelijke oplossing veel realistischer dan het voorstel van Van Mourik.

De positie van de langstlevende volgens het wetsvoorstel doet qua bevoegdheden niet onder voor die onder een stelsel van boedelverdeling. De vruchtgebruiksregeling zoals die sedert 1 januari onder het toen ingevoerde Burgerlijk Wetboek geldt, kent de mogelijkheid dat de vruchtgebruiker bevoegd is tot vervreemding van met vruchtgebruik belaste goederen. Die bevoegdheid zal bij het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende regel zijn. In dat opzicht heeft de langstlevende dus dezelfde rechten als de eerstoverledene en lopen de kinderen hetzelfde risico dat de goederen door de langstlevende worden verkocht als wanneer beide ouders nog leefden. Blijven de goederen echter in de boedel, dan komen die ook ingeval van hertrouwen, uiteindelijk toe aan de eigen kinderen van de overleden ouders.

Van Mourik voert aan dat het door de minister voorgestelde systeem ingewikkelder is dan het zijne. Dat is inderdaad het geval. In gecompliceerde situaties, zoals verschillende huwelijken en kinderen uit een voorafgaand of een tweede huwelijk, kan men nu eenmaal niet met een simpele oplossing volstaan. De moeilijkheden die Van Mourik schetst, zijn echter voor een notaris zeker wel oplosbaar. Het gaat immers om de verdeling van slechts enkele goederen die (affiniteits)waarde hebben en waarvan de meeste betrokkenen zeer goed weten uit welke familie deze afkomstig waren. Aldus wordt de extra moeite van de notaris beloond doordat teleurstellingen worden voorkomen, teleurstellingen die in het systeem van Van Mourik ontstaan als gevolg van de onomkeerbaarheid van de rechtsgevolgen die intreden bij een volgend huwelijk. Het erfrecht wordt niet geschreven voor het gemak van de notaris, maar voor erflaters en erfgenamen, die ook zonder testament een billijke regeling wensen.