Economische en politieke dilemma's voor kabinet

DEN HAAG, 18 APRIL. De problemen in het kabinet over de begroting 1993 leggen duidelijker dan in voorgaande jaren de politieke en economi- sche dilemma's bloot waarvoor Haagse politici staan.

Versteviging van de Nederlandse concurrentiepositie in Europa door lagere belastingen en premies, verdere sanering van de overheidsfinan- ciën volgens de normen van het regeerakkoord, handhaving van de koopkracht voor de minima, een evenwichtig inkomensbeleid, een dalende werkloosheid, hogere salarissen, hogere cao-lonen, het zijn zaken die op dit moment moeilijk tegelijk gerealiseerd kunnen worden.

Voorrang geven aan bepaalde doelstellingen maakt het extra moeilijk om andere te bereiken. Zeker op de korte termijn. Dat verklaart de steeds ingenieuzere en ingewikkelder constructies die de afgelopen dagen in Den Haag zijn bedacht.

Het economisch meest wenselijke is niet voor iedereen ook politiek of ideologisch het meest wenselijk. Tegenstellingen lopen derhalve dwars door partijen heen. De hoogopgelopen meningsverschillen tussen de ministers Andriessen (economische zaken) en De Vries (sociale zaken) - beiden CDA - over het inkomensbeleid en tussen de ministers Ritzen (onderwijs) en Ter Beek (defensie) enerzijds en minister Kok (fina- nciën) anderzijds - allen PvdA - over de bezuinigingen op onderwijs en defensie laten dat zien.

De problemen, waarmee het kabinet worstelt, zijn voor een deel door factoren van buiten veroorzaakt. De recessie in de Verenigde Staten en Engeland beïnvloedt de Nederlandse ontwikkeling negatief. Datzelfde geldt voor het uitblijven van de economische "boom' als gevolg van de Duitse hereniging. De economische groei van Nederland is ingezakt. Het herstel dreigt langzamer te verlopen dan eerder werd verwacht. De winsten van bedrijven komen hierdoor onder druk te staan. De investerin- gen zullen in 1993 waarschijnlijk voor het tweede achtereenvolgende jaar dalen. De werkloosheid stijgt.

Daarnaast zijn er binnenlandse factoren. Het kabinet Lubbers-Kok heeft de collectieve lasten (vooral belastingen en premies) de afgelopen jaren fors verhoogd. Dat was een gevolg van afspraken die al door het vorige kabinet en in het regeerakkoord zijn gemaakt (bijvoorbeeld het milieupl- an) en anderzijds grote tegenvallers in de inkomsten en uitgaven. Dat laatste had drie oorzaken: een laat ontdekte, negatieve erfenis van het vorige kabinet, een te optimistisch regeerakkoord dat sommige uitgaven ongedekt liet - bijvoorbeeld die voor "de koppeling' - en economische tegenwind (rente).

De tegenvallers leidden vorig jaar tot afspraken over omvangrijke lastenverzwaring en uitgavenbeperking, de Operatie Tussenbalans. De afgesproken drastische ingrepen in de Ziektewet en WAO zijn echter tot nu toe achterwege gelaten of vertraagd, waardoor minister De Vries voor alternatieve bezuinigingen (ontkoppeling van uitkeringen en cao-lonen) moet zorgen.

Het effect van de afgesproken lastenverhogingen voor de burgers zorgde voor een ander probleem. Bij volledige uitvoering van deze lasten- verzwaringen zou de overheid twee keer meer inflatie veroorzaken dan het Nederlandse bedrijfsleven. In de tweede helft van de jaren tachtig had Nederland nauwelijks inflatie (gemiddeld 1,3 procent per jaar). Sinds 1990 is sprake van een aanzienlijke stijging. Zonder nadere maatregelen zou volgend jaar de 4 procent ruim worden overschreden. In andere Europese landen - met uitzondering van Duitsland - is juist een tegenge- stelde ontwikkeling te zien. Stijgende inflatie kan leiden tot hogere lonen, tot lagere bedrijfswinsten en -investeringen. Deze ontwikkeling beïnvloedt op haar beurt weer de omvang van de collectieve sector en de verhouding werkenden/niet-werkenden.

De meeste Nederlandse CAO-loonstijgingen zijn, vergeleken met andere Europese landen, nog steeds gematigd. De economische ontwikkeling wordt echter ook beïnvloed door de incidentele loonstijgingen, circa 1 procent per jaar, en verbeteringen of handhaving van andere arbeidsvoor- waarden (Vut, Ziektewet etc). Om alle afspraken en wensen op dat terrein te kunnen betalen zou een economische groei van 3 procent nodig zijn, aldus een becijfering van premier Lubbers. Die groei is er niet. Dus is meer loonmatiging geboden.

De werkgevers- en werknemersorganisaties zien goed waar de schoen wringt. Maar zij laten in hun afwegingen ook eigenbelang een flinke rol spelen. De vakbeweging staat op de bres voor loonsverbetering van haar leden. De werkgevers geven al gauw de voorkeur aan arbeidsrust en vermijden de vervelende financiële CAO-beperkingen (uitkeringen bij ziekte) die het kabinet van ze verwacht. De rekening wordt vervolgens weer naar het kabinet geschoven. Vooral de werkgevers vragen om lasten- verlichting om de Europese concurrentie het hoofd te kunnen bieden.

Of deze situatie nog lang blijft bestaan is de vraag. De Nederlander begint zich bewust te worden van de reikwijdte van deze handelwijze en de belangen die ermee zijn gemoeid. Dat de vakbeweging de zuivelstaking heeft beëindigd is veelbetekenend. Het maatschappelijk draagvlak voor dit soort acties brokkelt af.

In de vorige kabinetsperiode kon een sterke loonmatiging worden bereikt omdat de overheid de inkomensachteruitgang compenseerde door lastenver- lichtingen. Het kabinet ziet in dat het zelf weer een bijdrage moet leveren en kiest voor BTW-verlaging. Een lagere BTW leidt automatisch tot een lagere inflatie en daardoor tot lagere looneisen.

Kon echter in de tweede helft van de jaren tachtig lastenverlichting worden gefinancierd uit de meevallende economische groei, nu zal ze òf ten koste moeten gaan van het financieringstekort òf ten koste van de uitgaven van departementen. Het kabinet lijkt voorlopig een keuze te hebben gemaakt voor bezuinigingen op de uitgaven.

Voorlopig, omdat deze beslissing inmiddels tot grote politieke onenighe- id heeft geleid. PvdA-minister Kok (financiën) staat voor moeilijke afwegingen. Moet hij voorrang geven aan zijn belang als minister van financiën (een strak begrotingsbeleid, geen korte-termijnoplossing- en), het economisch belang (belastingverlaging), zijn partijbelangen (koopkrachthandhaving voor de minima, het ontzien van bepaalde uitgaven zoals onderwijs), of zijn belang als vice-premier (het voortbestaan van het kabinet)?

Kok tracht vooralsnog een daling van het financieringstekort en dus extra bezuinigingen te combineren met èn een BTW-verlaging, èn ontkoppeling, èn een evenwichtig inkomensbeleid. Het eerste heeft de zwaar aangeslagen minister van onderwijs, Ritzen, ertoe gebracht twee weken bedenktijd te vragen. Het laatste stuit nog steeds op groot verzet van CDA-minister Andriessen van economische zaken, die zich in het kabinet heeft opgeworpen als de grootste pleitbezorger voor aanpassing van Nederland aan de economische gebruiken en tarieven in andere EG-landen. Dat hogere inkomens via hun loon- en inkomstenbelast- ing moeten inleveren om de koopkracht van de minima te kunnen handhaven past niet in die visie.

Premier Lubbers en minister Kok hebben de komende paasdagen de tijd iets te bedenken om de ruziënde bewindslieden weer op één lijn te krijgen. Dat zal niet meevallen. Kok moet Ritzen, Wallage en Ter Beek over de streep zien te trekken. Lubbers moet hetzelfde proberen te doen met Andriessen en De Vries.

Lubbers lanceerde in een eerder stadium van de kabinetsdiscussie het idee om voor de verlaging van het financieringstekort ten dele inciden- tele maatregelen (bijvoorbeeld de verkoop van staatsdeelnemingen) te gebruiken.

Zijn redenering was de volgende: We verlagen het tekort in deze periode met twee procent. Daarnaast doen we een procent extra omdat we de incidentele maatregelen van het vorige kabinet hebben omgezet in struc- turele bezuinigingen. Eigenlijk verlagen we het tekort dus met drie procent. Is het erg als een klein stukje daarvan minder solide gefinan- cierd is?

Het kabinet - minister Kok voorop - heeft die suggestie afgewezen. Houdt het dat standpunt vast dan is de bandbreedte, waarbinnen premier Lubbers en vice-premier Kok naar niet al te pijnlijke oplossingen kunnen zoeken, sterk beperkt.