DIE HEERLIJKE BEHOEFTE AAN GESPLETEN SCHEDELS

The Thrill of Fear. 250 Years of Scary Entertainment door Walter Kendrick 293 blz., geïll., Grove Weidenfeld 1991, f 52,25 ISBN 0 8021 1162 9

”Valdemar, slaap je nog?'

...Terwijl ik sprak, kwam er een opmerkelijke verandering in het voorkomen van de gehypnotiseerde. De ogen gingen langzaam open, de pupillen draaiden naar boven; de huid kreeg een lijkkleur en leek nu meer op wit papier dan op perkament; de ronde, koortsig rode vlekken, die tot nu toe ongeveer in het midden van beide wangen zichtbaar waren geweest, doofden eensklaps uit...

”Ik heb geslapen - en nu ... nu ... ben ik dood.'

Geen der aanwezigen deed zelfs maar een poging om het onuitsprekelijke, huiveringwekkende afgrijzen te verhelen of te onderdrukken, dat die weinige woorden, op die verschrikkelijke manier gesproken, bij hen teweegbrachten...

Bijna zeven maanden lang... bleef de toestand van de gehypnotiseerde volkomen ongewijzigd... Verleden week besloten wij eindelijk een poging te doen om hem uit zijn hypnotische slaap te doen ontwaken...

Terwijl ik haastig de vereiste bewegingen maakte... zag ik hoe eensklaps - binnen één enkele minuut of nog minder - zijn gehele lichaam verschrompelde - uiteenviel - volkomen wegrotte onder mijn handen. Op het bed lag... een bijna vloeibare massa walgelijke weerzinwekkende verrotting.''

Aldus Edgar Allan Poe in De waarheid van het geval Valdemar. Het is de bedoeling dat de lezer bij een dergelijke scène bleek wegtrekt, kippevel krijgt, verlamde benen, een droge mond en een beklemd gevoel in de maag, en dat allemaal voor zijn plezier. Het hoe en waarom van dit plezier is beschreven door Walter Kendrick in The Thrill of Fear, een geleerd en toch leuk boek over de geschiedenis van de ”horror' van de ”graveyard poets' tot The Texas Chainsaw Massacre.

De geschiedenis van de horror begint volgens Kendrick (auteur van onder meer The Secret Museum. Pornography in Modern Culture) halverwege de achttiende eeuw. Andere vorsers naar de wortels van de horror zijn op de proppen gekomen met oeroude mythen en legenden, maar ten onrechte: angst voor geesten was voor een middeleeuwse boer iets totaal anders dan voor de moderne jeugd. Zelfs Amerikaanse jongeren geloven in het algemeen niet in spoken: voor hen is griezelen nadrukkelijk een spel. Maar waarom is er behoefte aan een dergelijk spel? Wat is the thrill of fear?

GOTHISCH VERLEDEN

Volgens Kendrick is essentieel dat horror appelleert aan de angst voor de dood, en speciaal aan de angst voor de aftakeling van het lichaam, dat uiteindelijk de wormen tot voedsel zal dienen. Die angst is in de loop der tijd steeds minder gecompenseerd door geloof in de onsterfelijkheid van de ziel. Bovendien is de dood ”unheimlich' geworden sinds hij uit de openbaarheid is verdwenen.

Tot ver in de achttiende eeuw behoorde de dood tot het dagelijks leven: epidemieën maakten veel slachtoffers, de kindersterfte was hoog, doden werden midden in de gemeenschap begraven. Iedereen werd zeer direct met de vergankelijkheid van het leven geconfronteerd. Sindsdien zijn niet alleen de sterftecijfers afgenomen, maar is de dood steeds meer ”weggestopt'.

Als onderdeel van een beschavingsproces, waartoe ook het gebruik van vorken, zakdoeken, pyjama's en wc's behoort, werden begraafplaatsen naar de rand van de stad overgebracht. De aanblik en vooral de geur van lijken werd plots onverdragelijk geacht. De dood werd een delicaat onderwerp, en daardoor ook geheimzinnig en angstaanjagend.

De suggestie van Kendrick is dat er verband bestaat tussen het verdonkeremanen van het sterven en de opkomst van de horror. Naarmate de fysieke realiteit van de dood werd verdrongen, steeg de behoefte aan angstaanjagend amusement. Daarin draait alles om de angst voor de dood, geprojecteerd in een onbekend verleden. Griezelverhalen spelen zich af in knekelhuizen, graftomben vol spinnewebben, vervallen Transylvaanse kastelen en gothische gebouwen met een ontelbaar aantal kamers - allemaal decors die weinig te maken hebben met de werkelijkheid. Het is een ”gothisch' verleden, vol ongrijpbare ”unheimliche' zaken.

MORAAL

Het begon allemaal halverwege de achttiende eeuw met een aantal Engelse dichters. Die zogenaamde ”graveyard poets' voorzagen hun beelden van dood en verval nog van de traditionele boodschap dat na het walgelijke en futiele aardse leven de onsterfelijkheid in het hiernamaals zou volgen. Maar de gevoelens die werden opgewekt, gingen de moraal overheersen en spoedig was de gedachte aan de vergankelijkheid van het menselijk lichaam verworden van een aansporing tot vroomheid tot een bron van amusement.

Dat was voor het eerst het geval in de zogenaamde ”gothic novel'. Het genre kwam in de tweede helft van de achttiende eeuw tot ontwikkeling in Engeland en het verhaal speelde zich daarom meestal af in Italië, Spanje of Frankrijk. In continentale versies vormde het mistige Engeland vaak het decor. Niet zelden ging het om een heldin met reeënogen die temidden van krakende deuren en ijselijk gegil werd belaagd door spoken en enge monniken. Aan het einde van de eeuw waren ”gothic novels' bestsellers en rond 1800 werd het genre al geparodieerd door Jane Austen in Northanger Abbey.

In strijd met het gangbare beeld beschrijft Kendrick de negentiende eeuw als het dieptepunt van de geschiedenis van de horror. Volgens hem begon de populariteit van de griezelroman al rond 1810 af te nemen. Daarna werd er vooral gegriezeld bij toneelvoorstellingen. Omdat de meeste clichés visueel waren leende horror zich uitstekend voor adaptie in het theater. Diverse succesvolle romans werden bewerkt en opgevoerd bij flakkerend kaarslicht, voor een ongeremd gillend publiek dat voornamelijk afkomstig was uit de onderste sociale lagen. De middenklasse, die eerder het publiek voor de ”gothic novel' had geleverd, vond horror inmiddels te grof.

Aan het einde van de vorige eeuw maakte horror een come-back in de vorm van korte verhalen, meestal geschreven voor tijdschriften. Maar horror kwam pas weer echt tot bloei in stripverhalen en in films. In de jaren twintig en dertig maakten films als Nosferatu, Dracula, The Hunchback of Notre Dame, The Phantom of the Opera en Frankenstein horror tot een gevestigd filmgenre.

Sinds de jaren zestig beleeft het genre een nieuwe bloeiperiode. Het voornaamste verschil met eerdere vormen is dat de tegenwoordige horror veel explicieter is. Sinds de jaren zestig is het in strips en films gebruikelijk dat ten minste een handvol lichamen langzaam en zeer beeldend aan stukken wordt gereten, en er wordt ingezoomd op gapende wonden, gespleten schedels, uitgerukte levers en wat dies meer zij. Toch is de obsessie met de fysieke aspecten van de dood niet nieuw; de kranten in de Victoriaanse tijd berichtten al gedetailleerd over moord en doodslag, en bij menig haardvuur werd destijds gezellig gespeculeerd over slachtoffers en daders.

RAUWE EMOTIE

Tegenwoordig is er een complete horror-industrie ontstaan. Kennelijk is er grote behoefte aan angstaanjagend amusement. Maar waarom? Waarom laten mensen zich moedwillig confronteren met de ondragelijke zachtheid van het lichaam, en zijn neiging te ontbinden zodra het ontzield is? Wat is, om met Virgina Woolf te spreken, ””the strange human craving for the pleasure of feeling afraid''? Op die vraag heeft Kendrick niet echt een antwoord. Hij verwerpt allerlei gangbare interpretaties. Horror is geen onbewuste folklore of verhulde kritiek op rolpatronen, noch een uiting van seksuele angst. Volgens Kendrick gaat het gewoon om de rauwe emotie: ””those momentary prickles of the scalp and sudden intakes of breath that provide mysterious pleasure''. Daardoor is horror typisch low-brow. Horror betekent niets. Het is commercieel amusement, uitsluitend gericht op het manipuleren van emoties.

Dat gebeurt met een standaardrepertoire, dat al tweehonderd jaar praktisch onveranderd is gebleven: het onschuldige meisje, het spookhuis, het sprekend skelet, de vampier, de geschifte geleerde, de gedegenereerde aristocraat (tegenwoordig vaak vervangen door de bloeddorstige psychopaat), de vloek van het verleden, de ”walking dead'. Logica hebben griezelverhalen nauwelijks, en de hoofdpersonen gedragen zich niet volgens een plausibele psychologie; het gaat om de emotie van het moment. In de tegewoordige bioscoop is de reactie van het publiek even heftig als bij de theatervoorstellingen in de negentiende eeuw.

Kendrick ziet ook een treffende overeenkomst met de laatste decennia van de achttiende eeuw, toen lezers van sentimentele boeken naar hartelust meehuilden met de jonge Werther en andere gevoelige helden. Welke emotie wordt opgeroepen doet er in feite niet toe, als er maar kippevel ontstaat. Ook wanhoop en angst komen in aanmerking, zolang dergelijke gevoelens maar vrijblijvend kunnen worden ondergaan.

Er zijn geleerden die hebben gesuggereerd dat mensen, als ze zich bang laten maken in een situatie waarvan ze weten dat hij niet echt gevaarlijk is, als het ware ””oefenen in angst''. Blijkbaar is angst in een dergelijke situatie geen onaangename emotie, vooral als hij wordt gedeeld met anderen. Maar natuurlijk gaat het toch vooral om het overwinnen van de angst, om het gevoel van triomf als je in de bioscoop luid kan lachen terwijl je vriendin je stevig in de arm knijpt vanwege de rondvliegende ingewanden op het doek.