DE KAMIKAZE-VLEERMUIZEN; EN ANDERE MISVERSTANDEN UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG

Eyewitness to World War II. The Best of American Heritage redactie Stephen W. Sears 308 blz., Houghton Mifflin Company 1991, f 43,90 ISBN 0 395 61902 5

World War II. The Best of American Heritage redactie Stephen W. Sears 280 blz., Houghton Mifflin Company 1991, f 43,90 ISBN 0 395 61904 1

Onder contemporaine historici is het tegenwoordig gangbaar de Tweede Wereldoorlog te zien als de voortzetting van het verleden met andere middelen. Niet de breuk in de geschiedenis krijgt de nadruk, maar juist de continuïteit daarvan. Met andere woorden: door de oorlog is er minder veranderd dan we dachten.

Dat doet niets af aan het feit dat individuele tijdgenoten diezelfde oorlog hebben beleefd als een Berlijnse Muur die dwars door hun leven is opgetrokken. De invalshoek van het individu is door de cartoonist Bill Mauldin, die beroemd werd met zijn tekeningen in de Amerikaanse legerkrant Stars and Stripes, in één zinnetje verwoord. Mauldin tekende twee soldaten in een schuttersputje, en terwijl de granaten boven hun hoofden exploderen, zegt de een tegen de ander: ""The hell with this ain't the most important foxhole in the world. I'm in it.''

World War II en Eyewitness to World War II zijn boeken waarin de wereldoorlog wordt gepresenteerd vanuit dat perspectief: als een chaotisch mozaëk van persoonlijke belevenissen. De werken bevatten, zoals de titel van het laatstgenoemde deel al aangeeft, een bloemlezing van herinneringen van zeer uiteenlopende Amerikanen. De lezer wordt in deze boeken meegesleept van koraal-eilanden in de Stille Oceaan naar de bossen van de Eifel; van het Witte Huis naar de olievelden van Ploesti; van de redactie van Stars and Stripes in Algiers naar het Hunnerpark in Nijmegen, waar de aanval op de Waalbrug werd ingezet. Het gaat over zee- en veldslagen, over schipbreuken en bombardementsvluchten, maar ook over allerhande kwesties aan het thuisfront.

Pure "oral history' zit er weinig bij. De meeste verhalen zijn van mensen die iets meemaakten, en die later op zoek zijn gegaan naar de achtergronden ervan zodat tenminste in hun eigen particuliere universum de feiten op hun plaats liggen.

Beide delen heb ik in één adem uitgelezen. Er zitten natuurlijk onweerstaanbare jongensboek-aspecten aan verhalen over ""hoe ik opgesloten raakte in een omgeslagen slagschip'' (de kok van de Oklahoma in de baai van Pearl Harbor). Toch schuilt de eigenlijke fascinatie die van deze werken uitgaat, in andere kwaliteiten.

HOOG NIVEAU

Zonder uitzondering zijn de brijdragen uitstekend geschreven. Het feit dat veel van de auteurs na de oorlog voor hun brood zijn gaan schrijven, als journalist (Herbert Mitgang, Hughes Rudd, Charles Cawthon), als historicus en biograaf (W. A. Swanberg, William Manchester, Stephen E. Ambrose) of als romancier (Richard Wheeler, Thomas Fleming, David Davidson, Michael Feist) zal daarmee te maken hebben. Maar ook de stukken van beroepsmilitairen, zoals vice-admiraal Kemp Tolley, generaal James Gavin of zeekapitein Edward L. Beach bevinden zich stilistisch op een hoog niveau.

Wellicht is dit de verdienste van samensteller Stephen W. Sears, hoofdredacteur van het historische tijdschrift American Heritage, waaruit de meeste hoofdstukken afkomstig zijn (in dezelfde reeks is ook een anthologie van stukken over de Amerikaanse Burgeroorlog verschenen). Dan heeft hij in elk geval een goede hand van pathos schrappen, want niemand is in deze boeken uit op effectbejag: een afstandelijke, zakelijke, soms licht ironische toon is de norm. De verschillende bijdragen zijn duidelijk uitgekozen om hun indringendheid, niet om hun pretentie een volledig overzicht van het Amerikaanse aandeel in de Tweede Wereldoorlog te geven.

Daarom voel ik me niet schuldig dat de stukken die het minst over de gevechten gaan, mij het meest fascineren. Het zijn de randverschijnselen, de schijnbaar minuscule en onbegrijpelijke incidenten die later soms ingrijpende gevolgen blijken te hebben. Soms zijn die gevolgen zo fundamenteel dat ze het kader van geschiedschrijving op dit "micro-niveau' doorbreken. Dat geldt vooral voor de bijdragen die uitmonden in de wezenlijke vraag hoever president Franklin D. Roosevelt is gegaan met zijn initiatieven om zijn land de oorlog in te manoeuvreren. Het ene hoofdstuk, geschreven door Thomas Fleming, draagt de titel "The Big Leak' en gaat over de onthulling die de Chicago Tribune en de zusterkrant Washington Times-Herald op donderdag 4 december 1941 de wereld inslingerden. Amerika's top secret-plannen voor de opbouw van de strijdkrachten in geval van oorlog prijkten trots op de voorpagina. Roosevelt wilde onder de codenaam "Rainbow Five' binnen anderhalf jaar een leger van tien miljoen man uit de grond stampen. De helft daarvan zou naar Europa worden gestuurd om Hitler te verslaan.

De Verenigde Staten trilden van verontwaardiging over de perfiditeit van de president, die altijd al van plan was geweest ""iedere vierde Amerikaanse knaap onder de zoden te ploegen'', zoals de Democratische senator Burton K. Wheeler het uitdrukte. De verontwaardiging duurde twee dagen, toen werd ze afgelost door de collectieve woede op de Japanners. Slechts een handvol mensen bleef zich afvragen wie er nu verantwoordelijk voor de "Big Leak' was geweest.

INITIATIEF

Op grond van tal van aanwijzingen concludeert Fleming dat het de president zelf was die "Rainbow Five' liet uitlekken. Roosevelts belang daarbij was dat de krantestukken, die door de Duitse ambassade in Washington waren overgeseind naar Berlijn, Hitler op het idee zouden brengen Amerika de oorlog te verklaren. Roosevelt was er steeds van uitgegaan dat het Congres alleen tot een oorlogsverklaring aan Duitsland, Italië en Japan te bewegen zou zijn als deze landen zelf het initiatief namen. Inderdaad concludeerde Hitler door de onthulling van "Rainbow Five', in combinatie met de - ook voor de Duitsers - volkomen onverwachte aanval op Pearl Harbor, niet meer om een oorlog met de VS heen te kunnen. In de toespraak waarin hij op 11 december 1941 in de Rijksdag Amerika de oorlog verklaarde, noemde hij expliciet de bewuste krante-artikelen als aanleiding.

Dat Roosevelt eveneens had geprobeerd de Japanners ertoe te prikkelen om het eerste schot af te vuren, wordt aannemelijk gemaakt in het hoofdstuk "The Strange Mission of the Lanikai' van Kemp Tolley. Diezelfde vierde december 1941, de dag van de "Rainbow Five'-onthulling, kreeg Tolley, die in de Filippijnse hoofdstad Manila was gestationeerd, een vreemde opdracht. Hij moest het commando op zich nemen van de krakkemikkige zeilschoener Lanikai, die door de Amerikaanse marine was gecharterd om in opdracht van het Witte Huis de Japanse vloot onder de kust van Indo-China te schaduwen. Naar een tweede schoener was de marine nog op zoek.

Op bevel van de president moesten de handelsscheepjes de minimale kenmerken van een oorlogsbodem krijgen, in de vorm van een kanonnetje op het dek en een marine-officier als gezagvoerder. Ook moesten ze ""indien mogelijk een gedeeltelijk Filippijnse bemanning aan boord hebben''. Het derde scheepje dat het Witte Huis voor deze actie op het oog had, was het fraaie witte zeiljacht Isabel, waarop de commandant van de Amerikaanse marinebasis bij Manila zich na diensttijd pleegde te ontspannen.

Het was een zonderlinge missie; de VS waren namelijk via luchtverkenningen al goed op de hoogte van de Japanse scheepsbewegingen voor de kust van Vietnam en Zuid-China. Toch werd de Lanikai inderhaast met wat klein geschut uitgerust. Enkele Filippijnse zeelui kwamen aan boord, en Tolley vertrok op 7 december 1941 (in de VS was het toen nog 6 december) naar zee om de Isabel af te lossen die op weg naar Manila was. 's Nachts kwam over de radio het bericht dat de Japanners in Pearl Harbor tot de aanval waren overgegaan, en dat Tolleys missie was afgelast. Maandenlang zwierf de Lanikai door de Indonesische archipel, overdag pogend te versmelten met het silhouet van het geboomte op de talloze kleine eilanden, 's nachts op zoek naar een veilige haven. Toen de Lanikai op 18 maart 1942 eindelijk heelhuids de Australische havenstad Fremantle bereikte, kreeg Tolley er van een stomverbaasde superieur te horen: ""Wat doe jij hier? Je hoorde dood te zijn.''

CASUS BELLI

Dit bemoedigende welkom bleef Tolley intrigeren. Na de oorlog - die hij grotendeels doorbracht als marine-attaché in Moskou - ging Tolley speuren naar de achtergronden van zijn missie met de Lanikai. Uiteindelijk kreeg hij aanwijzingen dat Roosevelt de actie had bedacht in de hoop dat de Japanners een aanval op de Lanikai of de andere twee bootjes zouden uitvoeren. Omdat ze niet onmiddellijk als Amerikaanse marineschepen herkenbaar waren, zouden de aanvallers pas merken dat ze een casus belli hadden geschapen als het te laat was. De Filippijnse zeelui moesten aan boord zijn opdat na een eventuele aanval ook de Filippijnen een reden zouden hebben om Japan de oorlog te verklaren. Roosevelt had daarover al verkennende besprekingen laten voeren met de Filippijnse president Manuel Quezon. Tolley en zijn bemanning waren dus gebruikt als menselijk lokaas.

De affaires van "Rainbow Five' en de Lanikai roepen vragen op die het bestek van deze boeken verre te buiten gaan, en het is zaak weerstand te bieden aan de verleiding er hier uitgebreid over door te filosofen. Trouwens, ook zonder Tolleys geplande dood als het eerste slachtoffer van Japanse agressie kreeg de president, in Pearl Harbor, wat hij wilde, zij het veel meer dan hij had besteld.

Achteraf gezien wordt duidelijk wat een geweldige gok Roosevelt nam door zijn land op dat moment welbewust in een oorlog te manoeuvreren. In de jaren twintig en dertig had Amerika zijn leger, vloot en luchtmacht nog aanzienlijk drastischer verwaarloosd dan de Europese democratieën dat hadden gedaan. Veel oorlogstuig was er niet; het materieel dat er wel was, werkte niet of slecht. In zijn bijdrage "Culpable Negligence' bijvoorbeeld verhaalt voormalig onderzeebootcommandant Edward L. Beach van zijn torpedo-aanval met de onderzeeër Trigger op een eenzame Japanse tanker in 1942. Hij kon haast niet missen, en inderdaad hoorde de bemanning van de Trigger tot haar vreugde het geluid van een explosie. Maar korte tijd nadien werd het geluid hoorbaar van sneldraaiende scheepsschroeven, die recht op de onderzeeër afkwamen, gevolgd door een verschrikkelijke explosie vlakbij. Later bleek dat de ene torpedo zomaar ergens was ontploft, en dat de andere een volledige cirkel had gedraaid om weer in volle vaart af te komen op de schoot die hem had gebaard. Gelukkig was ook de tweede torpedo spontaan te vroeg ontploft; was dat een paar meter verderop gebeurd, dan zou de Trigger de geschiedenis zijn ingegaan als de onderzeeboot die zichzelf torpedeerde. Volgens Beach waren bijna alle Amerikaanse torpedo's zo slecht, en hij wijt dat aan misplaatste bezuiniging. Hele Japanse konvooien passeerden in 1942 probleemloos Amerikaanse lanceerbuizen omdat de torpedo's die daaruit waren geschoten, naar alle windstreken van de Stille Oceaan verdwenen. Amerikaanse onderzeeërs waren ter plekke bij alle grote zeeslagen in 1942 en 1943, maar hun rol bleef beperkt tot die van decoratief ornament.

Te land waren de feilen hetzelfde. Bijna alle tanks van het Amerikaanse leger waren onbruikbaar door gebrek aan onderdelen. Eisenhower-biograaf Stephen Ambrose memoreert in zijn hoofdstuk over de vriendschap tussen de latere president en George Patton dat die laatste onderdelen voor zijn tankbrigade op eigen kosten - hij was vermogend - bestelde bij het postorderbedrijf Sears Roebuck.

RANTSOENERING

Zeker in 1942 moet de oorlog voor de Amerikanen een onwerkelijk gebeuren zijn geweest. Dagelijks konden ze in de krant lezen dat zich op zee en in de lucht hevige gevechten afspeelden, waarbij steeds meer van "our boys' betrokken raakten, maar op het thuisfront viel van de oorlog niets te merken. Ja, er kwam rantsoenering van benzine en autobanden. Eindredacteur Stephen Sears wijdt zelf een amusant hoofdstuk ("Sorry. No Gas') aan de agonie die het benzinetekort de gemiddelde Amerikaan bezorgde.

De ontwenningsverschijnselen waren zo hevig dat er tijdens de oorlog verbluffend weinig vals geld in omloop kwam; voor valsemunters was het lucratiever benzinebonnen na te maken. Etiquetteboeken waarin stond dat men logés van het station hoorde af te halen, werden herschreven om brandstof te sparen. Toch daalde het benzineverbruik tot zestig procent van het vooroorlogse niveau. Daarmee kan de rantsoenering volgens Sears een succes worden genoemd.

Tegenover dit ongerief stond dat het Amerikaanse thuisfront van alle oorlogvoerende landen het minste risico van rechtstreekse confrontaties met de vijand liep. Alle waarschuwingen voor spionnen, sabotage en invasies leken overdreven. Totdat eind juni 1942 de Amerikaanse dagbladen hun lezers vanaf de voorpagina toeschreeuwden dat FBI-agenten erin waren geslaagd acht Duitse saboteurs op te sporen en te arresteren. De acht waren in groepjes van vier door Duitse onderzeeboten aan land gezet in de buurt van New York en van Miami. Ze hadden explosieven in hun bezit gehad die precies leken op stukken steenkool. De bedoeling was geweest de bommen mee te geven met volle kolentreinen zodat ze zouden ontploffen in ketelhuizen van fabrieken of gewoon in de kachels van particulieren. De Amerikanen waren geschokt, en tegelijk opgelucht over de slimheid van hun federale recherche, die deze monsters precies op tijd had gegrepen.

De waarheid was iets prozaïscher, zo valt op te maken uit de grondige reconstructie ("The Spies Who Came in From The Sea') die W. A. Swanberg van de affaire maakte. Niet nijver detective-speurwerk lag aan de arrestatie ten grondslag, maar het simpele feit dat de leider van een van de twee sabotageteams, Georg Dasch, zichzelf had aangegeven bij het FBI-hoofdkwartier in Washington. Op zijn aanwijzingen was het arresteren van de andere zeven eenvoudig geweest.

De handicap van de saboteurs was dat ze allesbehalve professionele geheime agenten waren. Alle acht waren eerder in Amerika mislukt als immigrant; weliswaar spraken ze de taal, maar ze werden beheerst door frustraties, drankzucht en onderling wantrouwen. Elk van de twee teams had van de Duitse Abwehr negentigduizend dollar meegekregen. Zoveel geld hadden ze nog nooit bij elkaar gezien, en ze spendeerden duizenden dollars aan drank, eten, dure hotels en mooie kleren. Dasch kreeg het waanidee dat hij de eeuwige dankbaarheid van de Amerikaanse natie zou verwerven door, zoals hij het zelf noemde, "over te lopen' naar FBI-directeur J. Edgar Hoover persoonlijk.

Dat pakte heel anders uit. Het begon er al mee dat Hoover geen tijd voor Dasch had, en hem door anonieme ondergeschikten in de kraag liet grijpen. Dat Dasch zichzelf en de anderen had aangegeven, kreeg Amerika niet te horen. In plaats daarvan werden ze achter gesloten deuren berecht door een militaire rechtbank, die alle acht wegens hoogverraad tot de elektrische stoel veroordeelde. Dasch en een lotgenoot kregen gratie omdat ze hadden besloten zelf het FBI te benaderen. De andere zes werden geëxecuteerd.

Er is later veel te doen geweest over de excessieve geheimhouding en de strengheid van de opgelegde straffen. De mannen hadden ten slotte nog niets misdaan toen ze werden gepakt. Swanberg wijst er echter op dat de Abwehr door het rookgordijn rond de ware toedracht evenmin heeft geweten waardoor de sabotage-operatie zo verbluffend drastisch mislukte. Om die reden hebben de Duitsers afgezien van verdere infiltraties, iets wat de VS misschien een hoop ellende heeft bespaard.

VUURBOLLEN

De enige andere poging van een vijand om in de oorlog het Amerikaanse continent zelf aan te vallen, is eveneens mislukt doordat de Amerikaanse autoriteiten met succes de gevolgen ervan geheim wisten te houden. In de winter van 1944 op '45 zagen boeren en houthakkers in de noordwestelijke Amerikaanse staten Washington en Oregon geregeld mysterieuze vuurbollen in de lucht. Een keer werden uit een groepje mensen dat samen een vistochtje maakte, een vrouw en vijf kinderen gedood door een schijnbaar uit het niets komende explosie aan de oever van een riviertje. In plaatselijke kranten verscheen hierover een piepklein stukje. De censuur onderdrukte verdere berichtgeving, want het ging om een ernstige zaak, die gemakkelijk paniek onder de bevolking had kunnen veroorzaken.

Wat de legerleiding inmiddels wist, was dat de Japanners sinds november 1944 duizenden met explosieven behangen waterstofballons oplieten, die op grote hoogte met de daar heersende superwinden meedreven naar het noordwesten van de VS. Daar lieten de ballons op impuls van een tijdmechanisme hun lading vallen, waarna datzelfde mechaniek de ballons tot ontbranding bracht; vandaar de vurige bollen. Door de ingebouwde zelfvernietiging wilden de Japanners voorkomen dat de Amerikanen achter het mysterie kwamen. Dat lukte niet, want een Amerikaans jachtvliegtuig kon een keer een ballon neerschieten voordat de tijdsontsteking had gewerkt zodat het systeem kon worden bestudeerd. Tegen de ballonnenplaag viel evenwel niets te doen, behalve verborgen houden dat hij bestond.

In april 1945 staakten de Japanners hun bombardementen per ballon omdat ze nergens uit konden afleiden dat ze er iets mee bereikten. Geheimhouding was een beter wapen gebleken dan welk anti-ballon-afweergeschut dan ook. Nu was de feitelijk aangerichte schade ook minimaal, maar, zoals Carmine Prioli in zijn uitstekende bijdrage over de ballonnenoorlog ("The Fu-Go Project') opmerkt, bijna had een van die Japanse ballonnen het werpen van de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki verijdeld. Op 10 maart 1945 raakte een ballon verstrikt in een hoogspanningsleiding en veroorzaakte kortsluiting. Gedurende eenvijfde deel van een seconde stokten de elektrische pompen die het water aanvoerden waarmee de kernreactoren in de Hanford Engineering Works werden gekoeld. In die fabriek werden uraniumstaven gemaakt waaruit het plutonium voor de atoombommen werd gewonnen. Weliswaar nam de noodstroomvoorziening de voeding van de pompen onmiddellijk over, maar niemand wist tevoren of dat nooit beproefde systeem echt zou werken. Zou het hebben gefaald, dan waren de reactoren oververhit geraakt en ontploft. Vergeleken met deze ramp zou "Tjernobyl' een peuleschil zijn geweest. Een deel van de staat Washington zou ongetwijfeld een eigen baan om de aarde hebben gekozen, en de noordwestelijke staten van de VS waren tot op de huidige dag onbewoonbaar geweest.

Opmerkelijk genoeg ontbreekt in deze bloemlezing elke verdere verhandeling over het "Manhattan Project'. Wel wijdt de schrijver Michael Feist een curieus hoofdstukje aan een ander geheim wapen van de Amerikanen, een wapen dat miljoenen dollars heeft gekost. De kaakchirurg Lytle S. Adams was bij een bezoek aan de vleermuisgrotten in Carlsbad, New Mexico, op het idee gekomen vleermuizen te behangen met brandbommetjes. Als honderdduizenden aldus bewapende vleermuizen boven Japan zouden worden afgeworpen, was zijn redenering, zou de vijand gedemoraliseerd raken, zeker ""een bijgelovig volk als het Japanse''. President Roosevelt raakte in zijn plan geïnteresseerd, en onder leiding van gerenommeerde vleermuisdeskundigen en brandbomexperts begonnen er op een basis in Californië experimenten.

Er werden een paar honderd vleermuizen gevangen, en ondergebracht in koelcellen in de verwachting dat ze daar vanzelf aan een winterslaap zouden beginnen zodat ze niet hoefden te worden gevoed en ook niet lastig in de omgang zouden zijn. Het plan was aan de halfbevroren dieren met een klemmetje een minuscule brandbom met tijdsontsteking te hechten, en ze boven het doelgebied af te werpen in open containers. Tijdens de val zouden de vleermuizen uit hun winterslaap ontwaken, en wegvliegen. Op de grond, zo luidde de verwachting, zouden ze overal donkere ruimten opzoeken, het klemmetje doorbijten en hun bom achterlaten. Niet Batman, maar zijn levende waarmerk zou de Japanners confronteren met wrekende gerechtigheid. De praktijk liep anders.

Uit een bommenwerper werden (ongewapende) proefdieren afgeworpen die niet uit hun winterslaap wakker werden. De (gewapende) vleermuizen die nog op de grond op hun afworp wachtten, werden daarentegen voortijdig wakker, en vlogen met hun bommen de gebouwen op de basis en de auto van de commandant binnen. De rokende puinhopen die overbleven, bewezen slechts dat in elk geval het experimenteren met vleermuizen een behoorlijk demoraliserend effect kon hebben. Niet de Japanners, maar de Amerikanen moesten voor de vleermuizen capituleren.

Deze boeken maken één ding duidelijk: de Tweede Wereldoorlog is een papieren constructie, gebouwd door historici die, zoals het hun taak is, op zoek zijn naar grotere verbanden en de ontrafeling van complexe oorzaak-gevolgketens. In werkelijkheid was het een onafzienbare reeks gefragmentariseerde gebeurtenissen, waarvan de zin, het begin en de afloop de meeste participanten een raadsel was. Al worden we met publikaties over die oorlog overstroomd, het gebeurt hoogst zelden dat we hem in die gefragmentariseerde oervorm voorgeschoteld krijgen. Er verschijnen wel veel boeken met persoonlijke belevenissen, maar daaraan ontbreekt uiteraard het kaleidoscopische. Juist de confrontatie met het besef dat miljoenen mensen op ontelbare verschillende plekken op de aardbol tegelijkertijd of kort na elkaar volkomen verschillende dingen beleefden, die hun naderhand werden aangereikt in de verpakking van ""de Tweede Wereldoorlog'', gaf mij bij het lezen van deze twee boeken het gevoel van een verfrissende openbaring.