Bange Afghanen bidden voor vrede en goedkoop brood

KABUL, 18 APRIL. In de moskeeën van Kabul werd gisteren tijdens het vrijdaggebed gesmeekt om vrede en betaalbaar voedsel. In een mengeling van angst en hoop wachten de Afghaanse burgers in de omsingelde hoofdstad op de volgende fase van ruim 12 jaar burgeroorlog. In de buitenwijken sluit winkel na winkel de deuren en zijn de straten verlaten door de aanzwellende geruchten dat de mujahedeen, de islamitische verzetstrijders, steeds dichterbij komen. De laatste slag met het regeringsleger of wat daar nog van over is lijkt op handen.

“De mullah bidt tot Allah voor vrede en goedkoper brood”, zegt een winkelier in de oude bazaar bij de Puli Kishty-moskee in het centrum van Kabul. De broodprijs is de afgelopen dagen bijna verdubbeld door het tekort aan graan. Inwoners van de stad hamsteren voedsel uit vrees dat de onderhandelingen tussen de regering en de verzetsgroepen, onder auspiciën van de Verenigde Naties, zullen mislukken en er een bijltjesdag aanbreekt.

De verdrijving van president Najibullah door leden van zijn eigen regering is door veel Afghanen met vreugde begroet. “Najibullah hield nooit zijn beloftes”, zegt een sikh-zakenman. Maar de angst van de Afghanen voor wat komen kan wint het van de blijdschap. “We zijn erg bang natuurlijk, de mensen zijn doodsbenauwd voor oorlog”, zegt een ander winkelier. Buiten zijn deur liggen bedelaars op vodden te schooien om een aalmoes. Veel van de bedelaars zijn mensen met amputaties, slachtoffers van landmijnen. Hongerige kinderen smeken voorbijgangers om geld. “We hebben geen werk en geen geld. We hebben geen toekomst”, zegt Karim, een jonge werkloze.

Voor de deur van het kantoor van UNICEF liggen zandzakken opgetast, naast een wit-marmeren standbeeld van een moeder met kind. Om de hoek staat een pantserwagen van het regeringsleger, de militairen bovenop koesteren hun machinegeweren. Volgens de woordvoerder van het ministerie van buitenlandse zaken, Wahid Qayoumi, is alles “normaal” in de binnenstad, maar buiten de stadgrenzen, zo geeft hij toe, heerst een “speciale” situatie. Waar die grenzen precies zijn is volstrekt onduidelijk na een serie overwinningen van de mujahedeen, gesteund door overlopers van het regeringsleger.

Wie vecht tegen wie? Dat weten veel Afghanen zelf ook niet. Ze luisteren naar de BBC en de Voice of America om bij te blijven op het gebied van de voortdurend wisselende allianties. Het vliegveld van Kabul is in handen van militairen en militieleden die zich tegen de regering hebben gericht, dat is zeker. De militieleden gehuld in traditionele pofbroeken en tulbands, hebben halfautomatische geweren en raketwerpers nonchalant over de schouder hangen. Hun voorkomen steekt scherp af bij dat van de militairen met hun nette groene uniformen.

Volgens de bondgenoten worden hun gezamenlijke troepen aangevoerd door generaal Rashid Dostum, uit de noordelijke stad Mazar-i-Sharif. Daar scheidde hij zich vorige maand met zijn manschappen af van Najibullahs leger. Nu de president is afgezet ziet Dostum kennelijk zijn kans schoon het ook in de hoofdstad op een akkoordje te gooien met de mujahedeen.

Hoewel het betrekkelijk rustig is, wordt in het zuiden van Kabul sporadisch gevochten. Delen van het regeringsleger zouden er beschietingen uitvoeren op de mujahedeen van de gevreesde Hezb-i-Islami, die opmarcheren naar Kabul. “Wat? Explosies? Ik heb niks gehoord”, zegt een taxichauffeur, “maar ik ben jaren geleden al opgehouden te luisteren.” (Reuter)