Afwijzing elke vorm besnijdenis leidt tot culturele vervreemding; Incisie is een niet verminkende vorm van besnijdenis, waarbij een sneetje in de voorhuid wordt gemaakt

De gynaecoloog Marcel Reyners vindt dat ook "onschuldige' vrouwenbesnijdenis onverdedigbaar is. Hij zegt dat in zijn artikel van 14 april in deze krant over het rapport 's Lands wijs, 's lands eer, dat door ons in opdracht van het ministerie van WVC is uitgevoerd. Blijkbaar heeft hij de belangrijkste conclusies uit het rapport onvoldoende begrepen.

Centraal in de aanbevelingen uit ons onderzoek naar ervaringen met en meningen over vrouwenbesnijdenis onder Somalische vrouwen in Nederland, staat het ontwikkelen van beleid dat is gericht op het uitbannen van vrouwenbesnijdenis, conform het standpunt van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Het rapport bevat daarom aanbevelingen voor preventie, voorlichting en verbetering van de positie en hulpverlening aan de betrokken vrouwen. Tot dit laatste behoort het instellen van een informatie/ coördinatiepunt voor de problemen met vrouwenbesnijdenis en het stimuleren van deskundigheidsbevordering onder beroepsgroepen die met deze problematiek kunnen worden geconfronteerd, zoals gynaecologen, verloskundigen, huisartsen, jeugdgezondheidszorg en instanties voor vluchtelingenopvang.

De Nederlandse media hebben tot op heden slechts aandacht besteed aan één enkele aanbeveling uit dit geheel: het onderscheiden van verminkende- en niet verminkende vormen van vrouwenbesnijdenis en het benoemen van voorwaarden waaronder incisie mag worden gepraktizeerd. Incisie is een niet verminkende vorm van besnijdenis, waarbij een sneetje in de voorhuid van de clitoris wordt gemaakt. Ritueel moeten daarbij enige druppels bloed vloeien. Er wordt geen weefsel verwijderd.

Over deze aanbeveling blijkt veel begripsverwarring te heersen, omdat de pers de term vrouwenbesnijdenis afwisselend voor incisie en voor alle vormen van vrouwenbesnijdenis hanteert. De gynaecoloog Reyners draagt daar helaas toe bij door in zijn betoog tegen het toestaan van incisie argumenten te gebruiken als: “het verwijderen van vitale organen zonder medische noodzaak” en de “rechten van het kind op lichamelijke integriteit” en te stellen dat geen enkele Nederlandse hulpverlener die kennis genomen heeft van de gevolgen van besnijdenis, daaraan medewerking zal verlenen als ook de suggestie dat alle besneden vrouwen "verminkten' zijn.

Volgens Reyners leert de ervaring dat "immigranten' in Europa op dezelfde wijze besnijden als in het land van herkomst. Vermoedelijk baseert hij zich daarbij op de situatie in Frankrijk. Ons onderzoek toont daarentegen aan dat tot op heden de situatie onder de vluchtelingen in Nederland een andere is. Er bestaan geen aanwijzingen voor het uitvoeren van vrouwenbesnijdenissen op illegale wijze. Ook bij de regionale inspecties van volksgezondheid zijn hierover tot op heden geen signalen binnengekomen.

In stedelijke gebieden in Somalië is het voorzichtige begin van een veranderingsproces zichtbaar bij het uitvoeren van vrouwenbesnijdenis. Dit proces zet zich voort over meer generaties, waarbij gekozen wordt voor steeds minder ingrijpende vormen van besnijdenis: het uitvoeren van de ingreep onder veiliger, hygiënische omstandigheden, tussenvormen van infibulatie (aaneen hechten van de schaamlippen) met minder complicaties op langere termijn, het verwijderen van de clitoris en uiteindelijk een symbolische vorm van besnijdenis, de incisie.

Dit laatste is weliswaar nog zeldzaam, maar de tendens tot verandering blijkt zich onder Somalische vluchtelingen in Nederland voort te zetten. Tevens blijkt uit ons onderzoek dat besnijdenis niet uitsluitend een functionele betekenis heeft, zoals Reyners beweert. Aan de hand van een casus illustreren wij in het rapport de symbolische waarde van de ingreep: vrouwen die reeds incisie bij hun dochters lieten uitvoeren, bleken daarbij naar alternatieve rituelen te zoeken.

Het argument van Reyners dat incisie als ritueel alleen door de Soendanese bevolkingsgroep in Indonesië gebruikelijk is, gaat aan deze veranderingsprocessen en het belang dat de betrokken vrouwen zelf aan deze symbolische vorm van besnijdenis blijken te hechten, geheel voorbij. Ziet hij cultuur als een vaststaand, onveranderbaar gegeven? Kennelijk heeft hij geen oog gehad voor de invloed die migratie op een traditie als vrouwenbesnijdenis kan hebben, gevolg van het contact met andere culturen en de veranderende positie van de vrouw, zoals in het onderzoeksrapport aangegeven.

Sterke verwevenheid met de cultuur en het sociale leven van de betrokken vrouwen maakt de terugdringing in het voorkomen van vrouwenbesnijdenis geen eenvoudige zaak. Kennis van en respect voor de beleving van de vrouwen zelf van hun besnijdenis is van groot belang om op succesvolle wijze in te kunnen spelen op deze problematiek.

Reyners geeft er herhaaldelijk blijk van hier weinig oog voor te hebben. Een enkel voorbeeld: hij merkt op dat Westerse samenlevingen afkerig staan tegenover het wegsnijden van lichaamsdelen zonder dat daartoe een medische noodzaak of voordeel voor de betrokkene bestaat. Zijn huwelijkskansen en sociale acceptatie dan geen voordelen? Is hij zich wel voldoende bewust van het pijnlijke dilemma waarin veel vluchtelingenvrouwen verkeren: het afwijzen van besnijdenis met als gevolg vervreemding van de eigen cultuur, verlies van status, respect en steun binnen de eigen groep, versus zich schikken naar de traditie ten koste van de persoonlijke gezondheid?

Het zal duidelijk zijn dat de omstreden aanbeveling, incisie onder voorwaarden uit te laten voeren door gynaecologen, de vrouwen hierin tegemoet wil komen en aansluit op gesignaleerde veranderingsprocessen. Een deel van de vrouwen in Nederland blijkt nog vastbesloten hun dochters te laten besnijden, terwijl een ander deel tegen iedere vorm van besnijdenis is. Tussen beide uitersten bevindt zich echter een groep die bereid is (tijdelijk) af te zien van verminkende vormen van besnijdenis. Zij zien incisie als een mogelijkheid om gedurende hun verblijf in Nederland te voldoen aan wat zijzelf ervaren als hun religieuze plicht.

Met het tegemoetkomen aan deze wens wordt niet de deur open gezet naar ernstiger vormen van vrouwenbesnijdenis. Wel wordt de deur geopend naar een dialoog met deze vluchtelingenvrouwen: het biedt erkenning en begrip voor hun culturele achtergronden. In hoeverre dit onze Europese normen geweld aandoet, zal voorlopig een punt van discussie blijven. Ongetwijfeld zal een aantal ouders aandringen op verdergaande vormen van besnijdenis. Biedt dat niet een ideale gelegenheid om deze groep, die bij andere vormen van voorlichting nauwelijks bereikbaar zal blijken, alsnog van individuele voorlichting te voorzien?