Zwanger van een boemelaar; Indische romans van Margaretha Ferguson en Elsbeth Klein

Margaretha Ferguson: Elias in Batavia en Jakarta. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 261 blz. Prijs ƒ 34,90

Elsbeth Klein: De hitte van Kaliasin. Uitg. De Prom, 126 blz. Prijs ƒ 24,90

Wie mocht denken dat alle literatuur over Indië overheerst wordt door nostalgie, mag Margaretha Ferguson niet ongelezen laten. Van de drie Hollandse families die zij beschrijft, voelt niemand zich op zijn gemak in Jakarta. Ze foeteren op de bedienden, hebben minachting voor de inlanders, zijn altijd maar bang dat de kinderen zullen verindischen, bang dat het met de carrière of de zaak niet goed gaat. Albert Bakker, een boekhandelaar, lijdt het meest onder die angsten. Hij raakt zo in de war dat hij soms gelooft dat zijn leven een droom is die hij aanziet voor de werkelijkheid en dat de echte werkelijkheid zich manifesteert in zijn nachtmerries. Indië noemt hij een beestenbende met al die kakkerlakken, witte mieren, tjitjaks, muggen, vleermuizen, slangen, vogels met boze kraalogen in een klein kooitje en krokodillen die tot damestasjes worden verwerkt. Zijn boeken beschimmelen en verrotten, alles wordt aangevreten en van contact met de inlanders komt op één uitzondering na niets terecht. In het gezin van de leraar Lake wordt geprobeerd met behulp van het christelijk geloof de angsten te bedwingen en verdraagzaamheid te beoefenen, en bij de profiteur en sjacheraar Pieters slagen ze er net niet in al het onaangename weg te lachen.

Het boek bestaat uit vier grote hoofdstukken. Het eerste speelt in 1940, als Nederland bezet is en Indië nog niet, het tweede beslaat de kampperiode, dan volgt het jaar van de bevrijding en het vierde hoofdstuk laat zien wat er dertig jaar later van al die mensen en hun kinderen is geworden. De Pietersen zijn profiteurs gebleven, de Lakes zijn dankbaar dat zij hun “zegenrijke werk, dank zij Christus' genade, hier mogen blijven voortzetten”, en de boekhandelaar Bakker, gescheiden van zijn vrouw, heeft in Nederland een zekere rust gevonden bij een Indo-Europese. Margaretha Ferguson laat er geen ogenblik twijfel aan bestaan dat zij de houding van alle drie families veroordeelt. De Indo-Europeanen en de Indonesiërs komen er bij haar beter af dan de Hollanders maar ook zij zijn feilbaar en onvolmaakt.

Fergusons roman - eigenlijk een herziene uitgave van een roman uit 1977 - bestrijkt een periode van 35 jaar, en wie in kort bestek recht wil doen aan een periode waarin zo veel is gebeurd, loopt het gevaar aan de oppervlakte te blijven en het innerlijk leven van de figuren op te offeren aan een relaas van de gebeurtenissen. Daar is in dit geval geen sprake van. Ferguson heeft de gave om iemand heel snel en raak te karakteriseren: “Ik ben vijftien jaar, schreef Elias nog haastig in zijn dagboek, ouder dan iedereen hier in huis.” Bovendien heeft ze een buitengewoon goed oor voor de spreektrant van al die uiteenlopende mensen: “En heeft u genoten van ons mooie land, meneer?” Misschien roept zo'n zinnetje ergens wat nostalgie op maar de situatie zoals Ferguson die tekent is zo navrant dat niemand daar naar terug kan verlangen.

Dompig

“Nostalgie?” vraagt de vertelster in Elsbeth Kleins De hitte van Kaliasin aan zichzelf, en het antwoord is: “wel nee, dat is mijn motief niet.” Tussen 1960 en 1964 heeft ze op Oost-Java gewoond. Ze heeft die jaren willen vergeten maar de drang om de herinnering aan wat er toen is gebeurd te bezweren wint het van haar verlangen om te vergeten. Ze wil afrekenen met de schaamte en de schuld van die vier jaren en met de teleurstelling die Indonesië haar heeft gebracht. Al op het ogenblik van aankomst viel alles tegen: de lege horizon, de bultige grauwe wolken, het lelijke huis, het vlakke land en de hitte die ze dompig noemt. Het prachtige, exotische land dat ze als dromerige 23-jarige had verwacht, was er niet. Haar dagen waren even leeg als de horizon. Niemand verwachtte iets van haar, niemand had haar nodig. Ze was alleen de vrouw van de nieuwe jonge dokter die met een jongensachtig enthousiasme opging in zijn werk en weinig tijd voor haar had.

In de leegte en afzondering geeft ze zich over aan dagdromen waarin gedwongen naaktheid en zwepen een rol spelen. Tijdens een reis van haar man heeft ze een verhouding van tien nachten met een Indo-Europese boemelaar met een deftige Hollandse naam die als tbc-patiënt in het ziekenhuis verzorgd wordt en daar met de mannen dobbelt en de vrouwen verleidt. Zijn fantasie completeert de hare. Even plotseling als ze de verhouding begonnen is, maakt ze er een eind aan, vol schaamte over haar opwinding. Kort daarop overlijdt haar man en gaat ze terug naar Nederland, zwanger van de ander.

Elsbeth Klein heeft dit drama op een superieure manier beschreven. Er wordt veel meer gesuggereerd dan met name genoemd, ook op het gebied van de erotiek, en de afwisseling van heden en verleden is zo zuiver afgewogen dat de spanning geen ogenblik verslapt. De verteltrant is beeldend zonder ooit in mooischrijverij te vervallen. Om dit alles verdient deze korte roman een ereplaats in de Indisch-Indonesische boekenkast.